Oestercultuur

EEN WEEK bedrijfsnieuws uit Nederland levert een bonte oogst op aan voorbeelden van zelfgenoegzaamheid en verstrengeling tussen overheid, banken en bedrijfsleven.

De staat verkoopt onderhands zijn belang in de ING-Bank aan het PGGM, het pensioenfonds voor de gesubsidieerde en gepremieerde sector. De opbrengst voor de staatskas, 1,3 miljard gulden, ligt onder de beurskoers, omdat was bedongen dat het overheidspakket in zijn geheel aan één bevriende partij zou worden verkocht.

Bij toeval komt ook aan het licht dat Philips en de Rabobank deze zomer een vernuftig contract hebben gemaakt waarbij Philips zijn kennis te gelde maakt door deze aan de Rabobank te verkopen en vervolgens terug te huren. Bij de fiscus is de constructie omstreden, maar na discrete bemoeienis van de minister van economische zaken en de premier wordt ze goedgekeurd. Philips kan hierdoor oude verliezen met de fiscus verrekenen en verschaft zich grotere financiële flexibiliteit. De Rabobank drukt zijn belastbare winst. De belastingen schieten er ten minste tientallen miljoenen bij in. Het beursbestuur buigt zich over de vraag of er sprake is geweest van "koersgevoelige informatie' die openbaar had moeten worden gemaakt. Achter gesloten deuren heeft de Tweede Kamer zich echter met de fiscale vondst akkoord verklaard.

De beursgang van het staatsaandeel in de PTT (tegenwoordig KPN) blijft vervolgens verzorgd te gaan worden door ABN AMRO met ondersteuning van ING en Rabobank. Gespecialiseerde buitenlandse banken zijn buiten het emissie-syndicaat gehouden.

Elders in Nederland voeren gedupeerde obligatiehouders van DAF ondertussen een juridisch gevecht tegen ABN AMRO die eind 1991 al wist van verliezen bij DAF, zich verzekerde van alle onderpanden en vervolgens een obligatie-lening aan het nietsvermoedende publiek sleet. In de rechtszaal houden ABN AMRO-directeuren zich van de domme. De obligatiehouders hebben een gewiekste Amerikaan, Gary Klesch, in de arm genomen om hun belangen te behartigen.

DE BEDRIJFSCULTUUR in Nederland is gesloten. Alsof de regententijd nooit is weggeweest, zo onderhouden de bestuurlijke top van de overheid, de financiële instellingen en de ondernemingen persoonlijke banden. Daar is op zichzelf niets mee mis. Het kan bedrijven helpen zich staande te houden in een wereld van concurrenten die niet anders opereren. Het past ook in het "Rijnlandse overlegmodel' waartoe het Nederlandse kapitalisme sinds jaar en dag behoort. Het gevaar is evenwel dat andere belangen, zoals die van belastingbetalers of obligatie- en aandeelhouders, veronachtzaamd worden. Het gevaar is ook dat het informele netwerk vooral gebruikt wordt om als afscherming tegen kritiek en openbaarheid. Dat nu is fnuikend voor de dynamiek van het bedrijfsleven.

DE ECONOMISCHE VITALITEIT van een land valt af te lezen aan de verschuivingen in de rangorde van bedrijven. Die zijn in Nederland gering. Terwijl op de "Fortune 500', de jaarlijkse lijst van grootste Amerikaanse bedrijven, voortdurend nieuwe namen opduiken van talentvolle groeiers die de plaats innemen van oude coryfeeën, is het Nederlandse bedrijfsleven een toonbeeld van bewegingloosheid. Bij de veertig grootste fondsen op de Amsterdamse beurs staan maar liefst tien beleggingsfondsen. De overige dertig ondernemingen zijn vrijwel allemaal opgericht tussen 1880 en 1930. Daartoe behoort een aantal technologisch innovatieve bedrijven en succesvolle multinationals. Maar het nationale ondernemersklimaat als geheel staat niet zo heel erg open voor aanstormend talent.

Voor onze toekomstige welvaart is een veranderingsgezind klimaat voor het bedrijfsleven echter onontbeerlijk. Dat wordt niet bereikt door zich als een oester af te sluiten van de buitenwereld. Een beetje meer openheid in de nationale bedrijfscultuur is dringend gewenst.