Mensen steeds groter, maar "perzikmand' hangt al sinds 1891 op 3.05 meter; Hogere basket haalt deel spektakel weg

ROTTERDAM, 16 OKT. Een gok. Een reuze gok. De grootste gok in de geschiedenis van de NBA. Zo luidde afgelopen zomer in Amerika de reactie op het aantrekken van basketballer Shawn Bradley door de Philadelphia 76'ers. Want "who the hell' was deze 21-jarige speler, die twee jaar lang nauwelijks een bal had aangeraakt omdat hij voor de mormonen op missie was in Australië. En die daarvoor slechts een jaar college-basketbal had gespeeld. Een jaar waarin hij, zacht uitgedrukt, nauwelijks imponeerde. Toch boden de 76'ers, die deze week net als de overige NBA-teams aan het pre-season (de competitie vangt 5 november aan) zijn begonnen, Bradley een contract van acht jaar aan. En een salaris over die periode van 44 miljoen dollar, circa 80 miljoen gulden. Waarom? Bradley is lang. Heel lang, zelfs voor NBA-begrippen: twee meter en 28,5 centimeter. Als hij op zijn tenen gaat staan en zijn armen strekt, raakt hij met gemak de ring van de basket aan.

Die basket hangt al sinds 21 december 1891 op 3.05 meter. Op die dag werd basketbal voor het eerst gespeeld door achttien studenten van het Young Men's Christian Association College in Springfield, Massachusetts. Hun gymnastiekleraar, James Naismith, had het spel bedacht. Dat hij de perzikmanden die als basket dienden op 3.05 meter hing, berust op toeval: de enige plek waar ze bevestigd konden worden, was aan het balkon van de gymzaal. En dat balkon hing precies 3.05 meter boven de vloer.

In de jaren vlak na 1891 zijn verschillende aanpassingen en spelregels op het oorspronkelijke idee van Naismith aangebracht. Ook voor wat betreft de basket, waarvan de meest revolutionaire en praktische wel was het idee van een slimmerik om - ruim een jaar nadat het spel voor het eerst werd gespeeld - de bodem uit de perzikmand te halen. Met als gevolg dat (!) de bal er na een score vanzelf weer uitrolde. Daardoor was het tijdrovende gehannes met ladders of trappen die de vloer op- en afgedragen moesten worden om de bal uit de mand te halen definitief voorbij.

Maar de hoogte van de basket is al die jaren ongewijzigd gebleven. Ondanks soms heftige discussies in Amerika, waar met name in het begin van de jaren dertig druk werd geëxperimenteerd met verschillende hoogten. Wat daarbij opvalt, is dat het voornamelijk hoogten betrof die de bestaande 3.05 meter overtroffen. Met als uitschieter een afstand boven de vloer van ruim 3.65 meter. Bij die experimenten werd vooral gekeken naar de gevolgen voor het aantal scores, mogelijke fysieke en conditionele consequenties voor de spelers en enkele praktische zaken: bijvoorbeeld of gymnastieklokalen wel hoog genoeg waren voor verhoging van de basket.

De bevindingen waren in alle opzichten negatief. Er werd minder gescoord, spelers klaagden over kramp en grotere vermoeidheid in armen, polsen en vingers. En de meeste gymlokalen op de highschools waren te laag om de basket hoger dan 3.05 meter te hangen. Maar de verrassendste bevinding was dat, in tegenstelling tot wat algemeen werd verwacht, het karakter van het spel door de hogere baskets veranderde. Kleinere, maar daardoor beweeglijker spelers manoeuvreerden zich met individuele acties aanzienlijk minder dan voorheen door de verdediging van de tegenpartij, omdat eenmaal bij de basket de extra hoogte juist voor hen een extra handicap betekende. Het aantal schoten van afstand nam daartoe toe, wat men als een negatief punt ervoer. Omdat ook het publiek door de mindere scores negatief reageerde, bleef de basket op 3.05 meter hangen.

En daar hangt hij nog steeds. De afgelopen decennia is die hoogte nauwelijks nog een discussiepunt geweest. Niet binnen de internationale basketbalbond FIBA, ook niet binnen de NBA of de Nederlandse Basketbalbond. In aanmerking genomen dat mensen wel steeds langer worden, is dat misschien vreemd. Ter illustratie: de gemiddelde lengte van Nederlandse dienstplichtigen (die bij keuring meestal nog niet volgroeid zijn) was in 1900 1.69 meter, in 1950 1.73,5 en in 1990 1.81,2. Waarbij voor dat laatste jaar moet worden opgemerkt dat jongens die langer waren dan twee meter niet in aanmerking kwamen voor berekening van het gemiddelde.

Het voornaamste argument om de basket niet te verhogen is, menen verschillende coaches en spelers in eigen land en een woordvoerder van de NBA, dat een dergelijke wijziging ten koste zal gaan van het spektakel. Een hogere basket zal immers minder dunks betekenen, voor veel toeschouwers nog altijd het hoogtepunt van een basketbalwedstrijd. Piet Leegwater, oud-scheidsrechter (in 1976 floot hij Montreal de olympische finale) en tegenwoordig lid van verschillende nationale en internationale commissies, meent zelfs dat de basket altijd te hoog heeft gehangen. “Omdat spelers steeds iets langer worden maakt dat nu minder uit, maar in het verleden kwam die hoogte het spektakel in het spel niet ten goede.”

Een vergelijking met basketbal voor vrouwen, die in Nederland volgens gegevens van het CBS in 1989 gemiddeld twaalf centimeter kleiner waren dan hun mannelijke landgenoten, lijkt de opvatting van Leegwater te bevestigen. Bij de vrouwen hangt de basket eveneens op 3.05 meter. Van dunks is dan ook nauwelijks sprake. Laat staan van spektakel. In Amerika wordt om die reden al enige tijd overwogen de basket bij het vrouwenbasketbal te verlagen. Voor Esther van de Bosch, speelster van Lisse, drievoudig international en 1.76 meter lang, is dat niet nodig. Ze is immers al zeventien jaar aan die hoogte gewend. Maar hoger dan 3.05 meter, hoe staat ze daar tegenover? “Alsjeblieft niet. Voor ons hangt hij zo echt wel hoog genoeg.”

    • Paul de Lange