Machinaal denken

Nog vóór het jaar 2000 zal een computer de wereldkampioen schaken verslaan. Dat zal niet het einde van de schaaksport betekenen, maar integendeel het begin van een ongekende populariteit. Schakers begrijpen dit niet. Ze weten er veel teveel van. Hein Donner schreef nog in 1986, twee jaar voor zijn dood: “Ik wil niet opscheppen, maar het interessante is natuurlijk dat ik een van de weinige mensen ter wereld ben die over deze moeilijke materie een gefundeerde mening kunnen hebben. Enfin, de computer kan niet schaken.”

Twee jaar later schreef Hans Ree: “De computer berekent schaakvarianten minstens honderdduizend keer zo snel als ik. Toch zou ik alle partijen winnen.” Laatst zei hij dat niet meer. Hij bracht verslag uit van een wedstrijd die Judith Polgar verloor van een computer. De druiven zijn zuur, heel zuur: “Wat zijn het toch een misselijke dingen. Twintig zetten planloos geschuif en dan opeens wint hij een kwaliteit. Het ergste is dat als er eenmaal tekening in de strijd is gekomen, de computer over het algemeen heel sterk gaat spelen.” Ik denk dat Ree in dat "planloos geschuif' eenvoudig het plan niet herkende en de partij pas begreep toen hij "er eenmaal tekening' in kon zien.

Als de machine maar eerst de mens definitief overwonnen heeft, gaat het schaken een grote bloei tegemoet. De atletiek werd pas een eeuw geleden werkelijk populair, ongeveer op het moment dat de auto en de fiets algemeen werden. Van begin af aan gingen machines sneller dan mensen en desondanks, nee daarom werden hardlopen en wielrennen volkssport.

Wanneer de schaakmachine eenmaal voorgoed kampioen is zal de televisie de giganten van de denksport vertonen, roerloos en kreunend aaneengeketend in medogenloze strijd; boven hun hoofden verschijnt, voor hen onzichtbaar, de feilloze analyse van de schaakcomputer. Het publiek, geleid door de alwetende kiebitzer verkneukelt zich in de val waarvan de ene speler nog geen weet heeft, hoont de ander die juist met triomfantelijke blik het verkeerde stuk verzet. Iedereen weet hoe het moet, behalve de twee genieën aan het bord.

De beginstelling levert problemen op. Van de eerste tien zetten is straks precies bekend welke winstkans ze opleveren. Elk spel moet dus beginnen met een nieuwe opstelling waarvan de schaakcomputer heeft berekend dat de winstkansen voor beide partijen gelijk zijn, maar waarvan de spelers nog niet weten kunnen welke zetten de beste vooruitzichten bieden. De schakers hebben dus het minste inzicht van iedereen. Maar daarin lijken ze dan op hardlopers, die door elke fietser kunnen worden ingehaald of op wielrenners die het afleggen tegen iedere automobilist, of op boksers die door wie dan ook met een eenvoudig handwapen te bedwingen zijn. De sportpagina's zullen vol staan met gekift over de keuze van beginstellingen die achteraf zwart bleken te bevoordelen of waarin bij de derde zet een simpele winstcombinatie voor wit zichtbaar werd. Vóór elke wedstrijd worden gouden kiezen, pacemakers, haarstukjes zorgvuldig gecontroleerd om te voorkomen dat de spelers met een verborgen ontvangertje de goede zet krijgen doorgeseind.

Nu pas rijst een nieuwe vraag: waarom worden atleten zo verafgood op het moment dat vrijwel iedereen zich sneller kan bewegen dan zij? En waarom geldt dat ook voor boksers die nu weerloos zijn tegen vuurwapens en straks voor schakers die het dan afleggen tegen zakcomputers? Omdat het ontroerend is om te zien hoe mensen zich tot het uiterste inspannen in een strijd die in de wereld van machines bij voorbaat al verloren is.

Donner en Ree verkeken zich op de mogelijkheden van de machine, maar zij hebben in zeker zin gelijk: machines kunnen niet schaken. Ze doen iets heel anders, maar daarmee winnen ze wel schaakwedstrijden.

Piet Grijs weet evenveel van vertalen als Ree van schaken, teveel dus. Hij denkt dat machines nooit zullen kunnen vertalen. Ik weet ook iets van talen en ik denk dat ook. Wij krijgen ongelijk.

Vertaalcomputers zullen zinnen uit de ene taal omzetten in zinnen die in een andere taal ongeveer hetzelfde betekenen. Maar zij doen dat heel anders dan mensen. Ze kennen duizend, of honderdduizend standaardzinnen en de equivalenten daarvan in twee, of dertig talen. Zolang nu maar niemand iets oorsponkelijks of iets grappigs of dubbelzinnigs of gevoelvols zegt, gaat dat goed. En bijna niemand doet dat ooit. Sterker nog, daar wordt de wereld op ingericht. Een bedrijf correspondeert dag na dag in dezelfde duizend of tienduizend standaardzinnen. Daar is de machine gauw mee klaar. In het zakenleven, bij het luchtverkeer of in het leger, in de diplomatieke dienst en in beleefde conversatie gaat het er juist om nooit iets ongehoords te zeggen, maar uit een vaststaand repertoire de voorgevormde zinnen aaneen te rijgen.

In Frankfurt zag ik vorig week een computer die op het scherm schreef wat hem gedicteerd werd. Soms verstond de machine het niet goed en dan verscheen een hele reeks woorden die op het gehoor overeenkwamen: de een nog grappiger en spitsvondiger dan de andere.

De machine, zei de demonstrateur, moest nog wel eerst aan de uitspraak van de gebruiker wennen. Maar ook nieuwe woorden kon hij goed aan: 'Dioxyribonucleïnezuur' hakkelde de verkoper en de computer verstond het meteen. Dat was dus bedrog. Menschlich, allzu menschlich. Het deed mij goed.

Het leek mij altijd onvermijdelijk dat de meeste kleine talen zullen verdwijnen en dat alleen de grote talen onder staatsbescherming blijven voortbestaan, allemaal verbonden door één wereldtaal, het Engels. Maar ik zal nog meemaken dat een elektronisch dicteerapparaat, een vertaalcomputer en een spraakmachientje alles wat in de ene taal gezegd wordt omzetten naar willekeurig welke andere taal. Ook met de kleinste talen kan men zich dan bij iedereen verstaanbaar maken, als er eenmaal vertaalmodules voor beschikbaar komen. Maar iets wat origineel of dubbelzinnig is kan met die vertaalmachines niet overgebracht worden in een andere taal. Het is nog maar de vraag of mensen dat zullen missen. Een nieuwe wedstrijdsport wordt tegen die tijd de rage op de televisie: twee tolken proberen elkaar te verslaan met de snelste simultaanvertaling. Het publiek ziet op een bord achter hun rug al hoe het moet. Over de uitslag beslist, vanzelfsprekend, de computer.

    • A. de Swaan