JOHN REITH; De bezige baas van de BBC

The expense of glory, a life of John Reith door Ian McIntyre 447 blz., geïll., HarperCollins 1993, f 67,- ISBN 0 00 215 963 5

De BBC is de enige Europese omroeporganisatie die een tijd lang internationaal aanzien heeft genoten, en de drie letters hebben een glans behouden. De Engelsen begonnen met het voordeel van hun taal die bijna iedereen een beetje kent, en zij maakten er knap gebruik van. Hun nieuwsprogramma's, vooral in de oorlog toen zij de hoop op bevrijding warm hielden op het vasteland, vormden de grondslag voor het aanzien; toen de televisie de radio ging overstemmen stonden de dramaprodukties en de komedieseries van de BBC bekend als de beste om te kopen of na te maken.

De man die de grondslag gelegd heeft was Lord Reith, al had hij de BBC verlaten voordat de Tweede Wereldoorlog begon, toen hij nog geen Lord heette maar Sir John. Hij was van 1922 tot 1938 eerst de general manager, later de directeur-generaal, en hij bepaalde het karakter van de organisatie. Sommige delen van de Presbyteriaanse levensopvatting die hij uit zijn Schotse jeugd had meegebracht waren toen al aan de ouderwetse kant, zoals zijn respect voor gezag en orde en zijn seksuele moraal, maar zijn hooggestemde ideeën over de opvoedende taak van de omroep en de verplichting van onpartijdigheid hebben heilzaam gewerkt. De BBC had een monopolie en moest dat van hem vooral behouden: zo kon zij zich veroorloven om de smaak van het publiek te leiden in plaats van te volgen. Auntie BBC, werd zij na de oorlog veel genoemd, hoewel zij naar het oordeel van Reith al een eind was afgezakt om aan de wensen van het pretzoekende volk te voldoen; in een ander licht gezien bleef zij een indrukwekkende Britannia die de geluidsgolven regeerde.

DAGBOEKEN

Hoe Reith de omroep opbouwde komt in het boek van McIntyre maar voor een klein deel aan het licht. Daar is de History of Broadcasting in the United Kingdom van Asa Briggs de bron voor; maar de lezer van McIntyre krijgt genoeg indruk om te begrijpen hoe hij de toon aangaf, en hoe moeilijk het later voor hem geweest moet zijn toen hij te weinig kans kreeg om zich te laten gelden. Het voornaamste bronnenmateriaal voor deze biografie komt niet uit de archieven van de BBC maar uit de dagboeken die Reith zijn hele leven heeft bijgehouden, meer dan twee miljoen woorden lang. Er is een eerdere biografie van hem verschenen kort na zijn dood, toen de dagboeken nog niet beschikbaar waren. Sindsdien is er een keuze uit gepubliceerd, maar nu worden ze voor het eerst benut om zijn levensgeschiedenis te vertellen.

De behoefte om zich te laten gelden was de sterkste karakteristiek van Reith's persoonlijkheid. ""Here I am now conscious of abilities which almost overwhelm me, and yet nothing to do'', schreef hij in zijn dagboek in het jaar voordat hij bij de BBC begon. Het werk aan de groeiende omroep verloste hem een tijd lang van veel energie, maar na een jaar of tien begon de zin om iets anders te gaan doen; hij werd weer ongedurig, en dat is hij na zijn vertrek gebleven tot zijn dood in 1971 toe. Ik word ternauwernood gebruikt, schreef hij in 1942 aan Churchill in een heftig gestelde brief over zijn sterility, humiliation and distress of all these years sinds 1938; en ook daarvoor, beweerde hij, was ik lang niet fully stretched. Nog nooit had hij zich helemaal hoeven geven, vond hij, en hij werd er wanhopig van.

Op zijn zesenzeventigste rekende hij uit, in zijn dagboek, hoeveel procent van zijn werkkracht hij besteed had in verschillende perioden van zijn leven. Er waren bijna zestien jaren geweest van 40 procent (de tijd bij de BBC); het gemiddelde van de overige vierendertig werkzame jaren was 7,5 procent. Samen 16x40+34x7,5 = 895 procenten nu vertaald in "eenheden': 895 op een denkbaar totaal van 50x100 = 5000: dat wil zeggen 17,9 procent. Lord Reith had zichzelf voor 17,9 procent gegeven, meer niet.

Zo zag hij het. Lezers van het in onze tijd meer gangbare type die van zichzelf zeggen ""Eigenlijk ben ik ontzettend lui'' zullen het niet mee kunnen voelen. Op sommige anderen zal het aanstekelijk werken: het stimuleert de neiging om op te springen en meteen een paar eenheden zelfbevestiging te verwezenlijken. Workaholic wordt dat soort mensen tegenwoordig neerbuigend genoemd, maar Reith stamde uit de negentiende eeuw, toen energie in ere gehouden werd als een deugd.

Met een beetje geluk zou hij honderd jaar eerder meer ruimte gekregen hebben, hoewel nooit genoeg voor de 5,5x17,9 eenheden waarmee hij in de buurt van de honderd gekomen zou zijn. Het is indrukwekkend wat hij toch al allemaal gedaan heeft na zijn BBC-tijd, in directeurschappen, ministerschappen, adviseurschappen, commissariaten en publikaties. Het grootste brok was het voorzitterschap van het Colonial Development Office voor de hulpverlening, achteneenhalf jaar lang, tot 1959 toen hij zeventig werd. Daar had hij het druk mee, en hij maakte reizen naar Afrika en andere delen van het afbrokkelende Empire. Hij brieste van teleurstelling toen het werk hem afgenomen werd door de minister, de smeerlap Lennox-Boyd, ten behoeve van de tweede man Hume die het vuil gespeeld had omdat zijn ellendige vrouw wilde dat hij die baan kreeg.

CHARLIE BOWSER

Deze beoordeling van de betrokken personen is van Reith zelf. Het lijkt op het eerste gezicht of hij ongemeen grof was over zijn medemensen, maar zulke dingen denken velen van ons, zonder ze op te schrijven; of niemand vindt ze de moeite waard om na onze dood te publiceren. Reith was ongewoon in zijn energie, niet in zijn ergernissen, en na enkele tientallen citaten uit de dagboeken is de lezer aan hem gewend. Hij was geen aardige man, maar door en door aardige mensen, die hun medemensen alles gunnen ook ten koste van zichzelf, zijn overal zeldzaam. De meesten spelen een rol; het aardige van hen is dat zij die moeite nemen.

Minder makkelijk te waarderen is Reith in zijn persoonlijke betrekkingen, voorzover die opgehelderd zijn, wat niet altijd kan. Hoever ging zijn vriendschap met Charlie Bowser, zeven jaar jonger dan hij, tussen 1912 en 1922? Voor de oorlog en opnieuw erna brachten zij veel van hun tijd samen door, in huis en op hotelkamers en vakanties, en zij gaven elkaar dure geschenken. Wat deden zij samen: altijd bidden? Dat deden zij soms, maar hadden zij een homoseksuele relatie? In 1919, toen hij net geëngageerd was met Muriel die zijn vrouw geworden is, schreef Reith dat hij haar gelukkig meende te zullen maken, ""if only she will be sensible and understand... C. comes first and it will be to our happiness if she can be content''. Was Charlie zijn ware liefde ook in het fysieke? De moderne lezer begrijpt het niet goed: de families wisten van de vriendschap en zij zouden het schokkend gevonden hebben als er iets onfatsoenlijks aan was, maar blijkbaar zagen zij dat niet. Was het er dan ook niet, of begrepen zij het verkeerd? Niemand heeft dit kunnen ophelderen.

Wel is zeker dat zij na 1922 vervreemd waren. Zij waren allebei getrouwd, en Reith kon de vrouw van Charlie niet uitstaan. Daarmee is nog geen duidelijkheid geschapen voor de rest van zijn leven. Hij had met zijn eigen vrouw ook weinig op, en hoe langer het duurde hoe minder. Dat was geen reden om een nieuw vriendje te zoeken: hij heeft zijn leven lang, de Presbyteriaanse achtergrond ten spijt, een afwisseling genoten van vriendinnen en vriendinnetjes. Ook fysiek genoten? Wij weten het niet zeker. Het blijft onduidelijk in de dagboeken. Er werd af en toe vurig gezoend; misschien bleef het daarbij.

De lezer hoeft niet overal het fijne van te weten, maar kan niet nalaten de vraag te stellen, al is het alleen aan zichzelf. De waarheid zou kunnen zijn dat er verschillende antwoorden passen op de verschillende relaties; verder dat het altijd moeilijk blijft om de intimiteit van mensen te doorgronden, en soms even moeilijk om de vermoedens, het begrip en het oordeel van de omringende wereld te reconstrueren.

Vast staat dat Reith onaardig was tegen zijn vrouw, onvergeeflijk tegen zijn dierbare dochter Marista toen die met een aanstaande echtgenoot in een vieze regenjas aankwam, en weinig prettiger tegen zijn zoon over diens huwelijksplan met the woman Morris.

DICTATOR

Hij was geen gezellige man, behalve met zijn vriendinnetjes waarschijnlijk. Wel was hij behalve groot van postuur (1 meter 95) groot van capaciteiten, als leider en organisator en ook als spreker en schrijver. Hij wist alleen na 1938 geen handig gebruik meer te maken van de kansen die zich voordeden en zo bleef hij, al stond hij niet buiten het actieve leven, buiten de hoge functies waarvoor hij zich geschapen voelde. Onderkoning van India, minister, ambassadeur in Washington, anders maar chairman (dus niet meer directeur-generaal) van de BBC, of als hij bijzonder ontstemd was over alles, dictator van Engeland: dat waren de soort banen die hij ambieerde. Dat hij ze geen van alle kreeg maakte hem een steeds ongelukkiger man, zoals wij uit zijn dagboeken weten - depressief vaak, en een enkele maal suïcidaal. Ik heb een duidelijke voorkeur voor de winter boven de zomer, schreef hij, niet alleen om de haardvuren maar omdat een hoop mensen dan uit het zicht verdwijnen and so we're relieved of the pestilence of their presence.

Voor de aardigheid moeten wij niet bij Reith zijn. Wat zijn figuur heeft is een grandeur die vaak ongeloofwaardig belicht wordt door zijn satirische en bittere uitspraken en zijn onvergeeflijke gedrag, maar die tegelijk tragisch en innemend is. Hij verfoeide veel verschijnselen van de nieuwste beschaving, daarbij inbegrepen alle slordig geklede jongeren en hun luide muziek; toen hij op zijn achtenzeventigste in het ziekenhuis lag met een hartkwaal was niettemin zijn beste vriend onder de patiënten de drieëntwintigjarige langharige manager van een popgroep, met wie hij gesprekken voerde waar de hele zaal naar wilde luisteren.

Reith leefde volgens zijn eigen stemming en regels, partijdig en onpartijdig. Een volgehouden triomf is het niet geworden, maar hij steekt boven het gewoel van zijn tijd uit, onvervuld.

    • J.J. Peereboom