In een vreemd bed

Niemand is zo hulpeloos als de reiziger die na een afmattende dag op een gevorderd uur aan een ongenaakbare receptioniste de nederige vraag naar een tijdelijk onderdak stelt.

De receptioniste antwoordt dat het hotel bezet is, maar bladert daarna achteloos in een ondoordringbaar boek om te zien of zij zich misschien niet heeft vergist. Deze zorgvuldig ingestudeerde en elke dag herhaalde aarzeling kost de reiziger al geld. Hij weet het, maar het kan hem niets schelen zolang het laatste woord niet is gesproken en hij als een bedelaar, met zijn have in een koffer aan de hand, de onherbergzame nacht wordt ingezonden. Plotseling is hij van zijn besluiteloosheid genezen. Hij wil nu in geen ander hotel logeren dan in deze overnachtingsfabriek die De Zon, Het Gouden Paard of eenvoudig Keizershof heet. Uit de lift stappen een heer en een dame, tot de tanden gewassen en al zo ingeburgerd dat hun blik de onaantastbare oogopslag van de receptioniste benadert. De dame maakt nog gauw gebruik van het spiegeltje aan de wand dat door de hoteleigenaar op het weerkaatsen van eeuwige trouw en altijddurende tevredenheid is afgesteld. Met een hand die de moeilijkste dingen, zoals strelen en haarvlechten, spelenderwijs zou kunnen verrichten, geeft de heer de sleutel aan de receptioniste, waardoor deze in staat is de nog steeds dakloze reiziger enkele ongeveinsde ogenblikken te vergeten.

Op de hier aangeduide wijze ben ik in de onwaarschijnlijkste appartementen en op bijna onvindbare zolderkamertjes terechtgekomen, appartementen met twee tweepersoonsbedden, twee badkuipen, twee wc's, twee bidets, vier wastafels en twee zwijgzame telefoons; of ook zolderkamertjes met een ijzeren ledikant waarvoor iedere moeite teveel was, een houten wastafel, voorzien van een leeg zeepbakje, een leeg kammenbakje, een gebarsten waskom en een kan vol trouwhartig leidingwater. Alleen gelaten in het appartement verwonderde ik mij over de gretigheid waarmee ik mij door de receptioniste deze buitensporige en tot bijna niets dienende slaapruimte had laten toeschuiven. Ik kreeg niet alleen het gevoel van eenzaamheid dat de reiziger op het lijf is geschreven, maar tegelijk het besef van een wanhopige lichamelijke beperktheid. Het is een van mijn liefste fantasieën niet over één enkel maar over een aantal lichamen te beschikken, met behoud van de ongedeelde persoonlijkheid. Wanneer ik uit twee lichamen zou bestaan zou ik dingen kunnen doen die ik nu noodgedwongen achterwege laat of waarvoor ik de hulp van anderen moet inroepen. Ik zou, om een enkel voorbeeld te geven, tegelijk aanwezig en afwezig kunnen zijn, als de ideale gesteldheid. In een appartement met vier bedden voel ik mij niet meer dan een dunne schijf van mijzelf.

Maar zelfs wanneer het vreemde bed mij met open armen ontvangt, is de nachtrust een onteigening. Nergens, besef ik, ben ik zo thuis als in mijn bloedeigen legerstede met de beproefde dekens, de verkreukelde lakens, het kussen dat tot de onwaarschijnlijkste gedaanteverwisselingen in staat is en mijn hoofd niet belet de vertrouwde ruimte te doorgronden. Aan het eind van de dag is onze enige werkelijke troost de zekerheid waarmee ons lichaam de eigen begrenzing aanvaardt en de ons verknochte slaapplaats als zijn onontkoombare behuizing begroet. Pas dan is de geest vrij om al voor het inslapen de dromen te koesteren die nooit worden uitgesproken. In het vreemde bed bespeurt ons lijf, zelfs onder de gunstigste omstandigheden, een rusteloosheid waardoor het van de ziel wordt vervreemd en een wilde terugkeer tot kinderlijke dwang en dierlijke bandeloosheid bewerkstelligt. Aan zichzelf overgelaten voert de arme reiziger een ontzenuwende strijd tegen zijn onstuitbare verwildering, een strijd die hem nog uren uit de slaap kan houden.

    • Adriaan Morrien