HUIS WINDSOR MIST STRAFFE HAND

De opkomst en ondergang van de Britse monarchie door A.N. Wilson 198 blz., Prometheus 1993, vert. Peter Diderich e.a. (The Rise and Fall of the House of Windsor, Sinclair 1993), f 32,50 ISBN 90 5333 203 0

Diana versus Charles door James Whitaker 224 blz., Luitingh-Sijthoff 1993, vert. Mariëtte van Gelder (Diana versus Charles, Viking 1993), f 29,90 ISBN 90 245 1134 8

De Britse monarchie kreeg het in 1992 van alle kanten zwaar te verduren: de huwelijken van de prins en de prinses van Wales en de hertog en hertogin van York werden een openbaar fiasco, twijfel aan hun echtelijke integriteit vulde een dagelijks feuilleton in de pers, de koninklijke familie diende meer dan ooit als schietschijf van de tabloid-bladen en zelfs koningin Elizabeth II, dat toonbeeld van constitutionele rechtschapenheid, werd op een vijandige kritiek van de Britse pers en van de politieke oppositie onthaald. En bij dat alles kwam aan het eind van het jaar nog de ramp dat haar particuliere koninklijk onderkomen Windsor Castle door een brand gedeeltelijk werd verwoest. De Latijnse uitdrukking annus horribilis die de koningin in een toespraak gebruikte om haar misère te typeren werd een gevleugeld woord in het Britse openbare leven en paradeerde afgelopen woensdag zelfs tussen de spandoeken van haar onderdanen in het Feyenoordstadion (dat in dit geval betrekking had op het onfortuin van de trainer van het nationale elftal, Graham Taylor).

INTERNE ONDERMIJNING

De meeste schrijvers die naar aanleiding van dat koninklijke rampjaar hun licht op de gecompromitteerde Britse monarchie hebben geworpen, zijn het erover eens dat het instituut zichzelf de meeste schade heeft toegebracht en dat het meer door interne ondermijning dan door externe inbreuken op de privacy van de troonopvolger en diens eega is aangetast. Alleen James Whitaker schrijft een belangrijk deel van de schuld expliciet aan de Britse geheime dienst MI5 toe, omdat die de telefoongesprekken van Charles en Diana had afgeluisterd en de geschreven neerslag daarvan (de "transcripties') opzettelijk had laten uitlekken en aan enkele kranten ter beschikking had gesteld.

De Britten zijn blijkbaar veel impertinents van hun geheime diensten gewend (of murw geworden onder het semi-autoritaire bewind van mevrouw Thatcher, zoals de libertair A.N. Wilson geneigd is aan te nemen), want de veronderstelling dat behalve de gehele koninklijke familie waarschijnlijk de hele regering op grond van niet nader gespecificeerde veiligheidsoverwegingen jarenlang door MI5 is bespioneerd c.q. afgeluisterd, is niet tot op de bodem uitgezocht. Het lag wel voor de hand dat de daders op het kerkhof gezocht moesten worden, maar het is verbazingwekkend dat de Britse publieke opinie zo laconiek heeft gereageerd op de onthullingen dat die spionage al sinds de Tweede Wereldoorlog onafgebroken gaande was.

Whitaker kan er nog wel begrip voor opbrengen ook, omdat die praktijk een patriottische oorsprong heeft. De hertog van Windsor, het zwarte schaap van de koninklijke familie (de man die zijn roeping verzaakte en zijn koningschap opgaf), was de eerste wiens gangen onder de werking van de ministeriële verantwoordelijkheid werden nagegaan. Uit die voor de veiligheid van Engeland noodzakelijke spionage bleek dat de hertog, die was afgescheept met het gouverneurschap van de Bahama's, in 1940 contacten met de Duitsers onderhield. Vooral zijn vrouw, de vroegere Mrs Simpson uit Baltimore, moest in de gaten gehouden worden, omdat ze in nationaal-socialistische kringen kwam, maar misschien nog wel meer omdat ze niet bepaald bescheiden aspiraties over haar politieke talenten koesterde. MI5 rapporteerde over haar contacten: ""Duitsers met haar in onderhandeling sedert 27 juni. Duits plan is, oppositieregering onder hertog van Windsor te vormen (...) Duitsers denken dat koning George VI tijdens aanval op Londen afstand van troon zal doen.'

Die eerste exercities van de geheime dienst op dit terrein konden op de volledige instemming van de regering rekenen, maar toen de belangstelling van Churchill c.s. voor het "afluisterproject' verflauwde, verzuimden dezen de instructies terug te nemen. Men kon het wel aan de geheime dienst overlaten om dat verzuim op te vatten als een stilzwijgende aanmoediging zijn afluistertechniek op volle kracht vooruit tot ontwikkeling te brengen.

UITDAGENDE OBSERVATIES

Wilsons Opkomst en ondergang van de Britse monarchie (de vertaling van The Rise and Fall of the House of Windsor) is het belangwekkendste van de dit jaar verschenen boeken over de crisis in de Britse constitutionele monarchie. Het behoort tot de weinige publikaties die niet uitmunten door een gulzige nieuwsgierigheid naar de defecten van het huwelijksleven van de vermoedelijke Britse troonopvolger.

Wilson doet uitdagende observaties over het functioneren van de in het geding zijnde constitutionele ambtsdragers, ontleedt de grondslagen van het politieke bestel waaronder het Britse koningschap bestaat en geeft een intelligente verhandeling over de machtsrelaties tussen de staatsorganen van de Britse kroon. Hoewel Wilson niet veel op heeft met het Britse koninklijk huis, en in het geheel geen hoge dunk heeft van de naar zijn mening intellectueel nogal overschatte prins Charles, heeft hij respect en waardering voor de constitutionele taakuitoefening en het plichtsbesef van koningin Elizabeth.

De kwaliteiten van de koningin zijn volgens hem zo groot dat geen enkele opvolger in haar schaduw kan staan, maar zeker niet iemand die zo weinig gevoel voor de zuivere constitutionele verhoudingen heeft als prins Charles. Zijn moeder heeft volgens Wilson niet alleen een staatkundige ervaring die hij nooit zal kunnen evenaren, maar ze heeft in haar jeugd ook een oneindig veel betere intellectuele voorbereiding op het koningschap dan haar zoon gekregen. Wilson (ex-public school en Oxford) laat zich minachtend uit over de kwaliteit van de scholen waarop prins Charles gezeten heeft en maakt overigens aannemelijk dat de vele onverstandige publieke uitspraken die de prins van Wales gedaan heeft niet zozeer voortkomen uit arrogantie als wel uit een onvolwassen constitutioneel besef. De meeste premiers hebben hem zijn gang laten gaan zolang zijn eigenwijsheid zich beperkte tot salon-ecologische wijsheden en van wereldvreemdheid getuigende architectuurbeschouwingen over (en contra) het moderne bouwen, maar zijn "onafhankelijke geest' is vaak op gevoeliger terreinen van de politiek uit de rails gelopen. Zo heeft hij tijdens de moeizaam verlopende onderhandelingen over een GATT-akkoord de Britse regering in verlegenheid gebracht door met de obstructie van de Franse boeren te sympathiseren.

MARKANTE VERSCHILLEN

De kritiek die Wilson op de politieke vrijpostigheden van prins Charles heeft zal de kenners in het algemeen wel overtuigen. Dat de vermoedelijke troonopvolger zijn plaats in het staatsbestel niet altijd kent, zou natuurlijk met een gedisciplineerde scholing verholpen kunnen worden, maar geen enkele minister-president heeft tot dusver een vinger naar hem uitgestoken.

Op dit punt springen markante verschillen met de Nederlandse staatsrechtspraktijk in het oog. Misschien zou het de Britten tot voordeel strekken het hier geldende systeem eens nader te bestuderen. In de eerste plaats gaat in het Nederlandse staatsbestel sinds 1980 een beproefde disciplinerende kracht uit van de ministeriële verantwoordelijkheid voor (het handelen van) de leden van het koninklijk huis. Die staatsrechtelijke regel waarmee niet te spotten valt als hij strikt wordt toegepast, wordt in Nederland eerder geactiveerd dan in Engeland. Hij verzekert een onmiddellijke correctie op wangedrag als een lid van het koninklijk huis (daarmee) de regering in politieke moeilijkheden zou kunnen brengen. In de tweede plaats heeft de Nederlandse koningin als hoofd van haar Huis de wind er zo onder dat geen enkel lid van haar familie in het openbaar dingen doet of zegt waaraan niet haar uitdrukkelijke goedkeuring is voorafgegaan.

Wilson stelt zich op het juiste standpunt dat de regelkennis van een koning niet aan het toeval kan worden overgelaten. Ook wie zich op het even juiste standpunt stelt dat de mening van de koning bij de vorming van het politieke beleid weinig gewicht in de schaal legt, kan het belang van die regelkennis niet miskennen omdat "het kroonverkeer' om zo te zeggen van twee kanten komt. De koning krijgt advies van de minister-president (die in de dagelijkse praktijk zijn eerste constitutionele adviseur is), maar de koning dient van zijn kant de minister-president van advies. Gevraagd en ongevraagd.

Volgens Wilson is prins Charles, gegeven zijn neiging tot domme uitspraken, niet in staat de rol van wijze politieke adviseur van de premier te spelen. Naar zijn mening mist hij daarvoor de vereiste bescheidenheid en deemoed, maar overschat hij ook zijn eigen slimheid. Uit de literatuur blijkt dat men niet over één nacht ijs is gegaan om prins Charles een gedegen, op zijn toekomstige functie berekende constitutionele scholing te geven. Wilson vindt waarschijnlijk dat die scholing niet aan hem besteed is geweest. De verantwoordelijkheidsvraag gaat hij merkwaardig genoeg uit de weg, dat is het eerste criterium waaraan zijn geschiedenis beoordeeld zou moeten worden.

Hoe overtuigend Wilson de voorbeeldigheid van Elizabeth II ook schetst, aan haar weinig doortastende rol als hoofd van het koninklijk huis gaat hij geheel voorbij. In heel het "annus horribilis' was nergens een resolute koninklijke hand werkzaam die haar oorlogvoerende en publiciteit manipulerende familieleden tot zelftucht wist te dwingen. Haar kinderen vochten een jaar lang hun onderlinge vetes publiekelijk uit, maar het hoofd van het Huis gaf geen leiding, stelde geen grenzen, en slaagde er bijgevolg niet in de eenheid in het eigen kamp te bewaren.

Het Huis Windsor heeft zichzelf in 1992 zo toegetakeld dat het zelf zijn grootste vijand is geworden. Wilson, die zich in dit boek een even koele als sarcastische criticus van het Britse establishment toont, gelooft niet dat de constitutionele monarchie op het spel staat. Daarvoor is de structuur van de Britse samenleving te sterk verweven met de liturgie van de monarchale staatsvorm. Maar zoveel is wel zeker dat het overdadig uitgedoste vlaggeschip van de Britse monarchie in de toekomst bescheidener zal moeten worden opgetuigd als het na het jaar 2000 nog voor rekening van de Britse staat in de vaart wil blijven.