Houwdegen Jo van Heutsz maakt zijn rentree in Atjeh

BANDA ATJEH, 16 OKT. Generaal J.B. ("Jo') van Heutsz is terug in Atjeh. Boven een brede tors vol sterren en tressen kijkt zijn zwaar besnorde kop wat geringschattend neer op het gezelschap dat zich rond zijn bronzen beeltenis heeft geschaard. Daar staan een gouverneur, een ambassadeur en andere notabelen uit Nederland en Atjeh. "Verdomde salonjonkers', lijkt hij te denken. Jo van Heutsz had namelijk weinig op met burgerdeftigheid en was wat grof in de mond.

Jan Herman van Roijen, de Nederlandse ambassadeur in Indonesië, heeft zojuist een bronzen plaquette van Van Heutsz aan het provinciebestuur van Atjeh overhandigd. De gezant heeft hiermee een hartewens van de vorige gouverneur, inmiddels minister in het kabinet van president Suharto, vervuld. De man die deze weerspannige noordpunt van Sumatra rond 1900 onder Nederlands gezag bracht en wijlen koningin Wilhelmina tot zijn bewonderaars rekende, heeft aldus zijn rentree in de hoofdstad Banda Atjeh gemaakt.

Het was de bedoeling dat de beeltenis zou worden opgehangen in de voormalige ambtswoning van de generaal in Banda Atjeh. Maar de huidige bewoner, gouverneur Syamsuddin Mahmud, vindt kennelijk niet dat de Hollandse houwdegen die ereplaats verdient. Van de voorgenomen onthulling is dan ook geen sprake. Meteen na aankomst in Banda Atjeh wordt het Nederlandse gezelschap ontvangen in het kantoor van Syamsuddin, waar de plaquette wat verloren op een tafeltje staat.

Ambassadeur Van Roijen houdt een evenwichtig praatje, waarin hij ingaat op de achtergronden van de lange oorlog tussen Nederland en Atjeh en de controverse rond de figuur Van Heutsz. Hij memoreert dat onder diens bewind de archipel een eenheid is geworden. Daarmee heeft Van Heutsz de grondslag voor de staat Indonesië gelegd. Gastheer Syamsuddin luistert beleefd, maar zijn gezicht staat wat betrokken. In zijn rede verwijst hij slechts zijdelings naar het geschenk; hij zegt alleen dat hij “nog niet weet waar hij het zal laten”.

Privé wil de gouverneur wel iets meer kwijt: “Dit cadeau is een teken van onze relatie. Van Heutsz is hier geweest, ten goede of ten kwade. Dat feit kan niemand doorstrepen.” Gaat hij het portret nu ophangen in zijn ambtswoning? Syamsuddin: “Dat weet ik nog niet. Er hebben daar heel wat gouverneurs gewoond en er is geen reden om Van Heutsz hoger aan te slaan dan de anderen. Ik zal hierover het streekparlement raadplegen.” De volgende morgen meldt een plaatselijke krant dat de gouverneur de plaquette het liefst in het provinciale museum ziet hangen.

Bij de overhandiging van de plaquette was ook aanwezig ir. Zainul Arifin Panglima Polem, kleinzoon van een Atjehse verzetsleider uit de tijd van Van Heutsz. Zijn commentaar: “Vandaag beschouwen wij Atjehers deze man niet langer als onze vijand. Van Heutsz handelde in overeenstemming met de omstandigheden. Mijn grootvader moest onder die omstandigheden zijn volk beschermen. Dat is voorbij. Gezien de noodzaak om voeling te houden met ons verleden is dit een mooi geschenk.”

Pag.7: "Heeft U de stenen zien spreken op Kher Khof?'

Syamsuddins bedenkingen over de Van Heutsz-plaquette gelden overigens niet de schenker en al evenmin het land dat deze vertegenwoordigt. Ambassadeur Van Roijen, zijn echtgenote Carolien en twee stafleden van de ambassade kregen tijdens hun driedaagse werkbezoek aan Atjeh een warm onthaal. Dat begon al op het vliegveld Blang Bintang (Sterreveld), waar de Van Roijens door Atjehse schonen met bloemenkransen werden omhangen. In de gouverneursresidentie en later in de ambtswoningen van drie verschillende bupati (regenten) werden maaltijden aangericht waarbij nagenoeg alle plaatselijke notabelen aanzaten.

Atjeh maakte werk van het bezoek; zo ontving de ambassadeur uit Syamsuddins handen een fraai Atjees zwaard met gouden gevest, werd het gezelschap vergast op een avond met Atjehse krijgsdansen en verscheen de druk bezette gouverneur ook bij programma-onderdelen waar hij niet werd verwacht. Atjehers - niet in de laatste plaats hun gouverneur - hebben een zwak voor Nederland en die emotionele band is niet alleen een kwestie van mooie herinneringen.

De contacten tussen Atjehers en Hollanders gaan terug tot de zeventiende eeuw, toen de sultan een correspondentie onderhield met prins Maurits, maar ze leerden elkaar pas echt kennen tijdens de Atjeh-oorlog (1873-1912), de langste en bloedigste die Nederland ooit heeft gevoerd. Dat er in Atjeh nauwelijks iemand wrok koestert wegens die slijtageslag, waarbij zeventigduizend Atjehers sneuvelden onder de klewangs van de Hollandse marechaussee, laat zich maar op een manier verklaren: Nederland heeft die oorlog nooit kunnen winnen.

De geënsceneerde onderwerping van de sultan aan Van Heutsz in 1903 hielp de "Pacificator van Atjeh' aan de positie van gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië, maar die liet het aan zijn opvolger als militair gouverneur, Van Daalen, over om het hardnekkige verzet te breken. Pas in 1911 werd de laatste rebellenleider, een vijftienjarige jongen, door een Hollandse patrouille doodgeschoten. Dit betekende het einde van de guerrillaoorlog, maar tot diep in de jaren twintig werden er aanslagen gepleegd op Nederlanders en in 1926 en 1933 kwam het nog tot plaatselijke opstanden. Bij het naderen van de Japanners, in februari 1942, was Atjeh het eerste deel van Indië dat het Nederlandse juk afwierp.

“Darimana pak? (vanwaar vader)”, vraagt de Atjeher aan de vreemdeling. Wanneer die zich bekendmaakt als Hollander, komt er een twinkeling in de ogen van zijn gastheer. “Ah, Belanda! Bent U al op Kher Khof geweest?” Hij bedoelt de begraafplaats Peucut in Banda Atjeh, waar de Nederlandse (onder)officieren liggen die omkwamen tijdens de Atjeh Oorlog. “Ja? Dan heeft U de stenen zeker wel zien spreken?” Hij raakt de arm aan van zijn gast en lacht breed. De camaraderie van boezemvijanden.

Banda Atjeh is Jakarta niet. Zowel gouverneur Syamsuddin als de rector van de Syiah Kuala Universiteit herinnerden in warme bewoordingen aan de Nederlandse ontwikkelingsprojecten in voormalig concentratiegebied Atjeh. Een paradepaardje van de Nederlandse hulp was het LTA 77-projekt in Centraal-Atjeh, het woongebied van het Gayo-volk dat grotendeels afhankelijk is van de koffieteelt. Sinds dit project in 1983 begon, is het inkomen van de boeren gestegen en is Gayo-koffie een begrip geworden tot in Japan. De grootvader van een der Nederlandse adviseurs diende als marechaussee onder Van Daalen en deed in 1901 mee aan diens bloedige strafexpeditie door de Gayo-landen. De ironie van de geschiedenis kent geen grenzen: het koffieproject moest worden gestaakt toen minister Pronk vorig jaar op werkbezoek wilde in Atjeh.

Enkele jaren geleden liet de vorige gouverneur van Atjeh, Ibrahim Hasan, aan Van Roijens voorganger weten dat hij graag een tastbare herinnering aan generaal Van Heutsz in zijn ambtswoning zag. Van dat verzoek werd goede nota genomen en de defensie-attache toog aan het werk. In Nederland werd een actie gestart om een kopie te verwerven van de bronzen plaquette die in het bezit is van het Regiment Infanterie Van Heutsz. Het waren vooral oud-KNIL-militairen die het geld bij elkaar brachten.

Syamsuddin voelt zich kennelijk wat opgelaten met dit initiatief van zijn voorganger. Hij wil de feiten overigens niet wegmoffelen en zou graag zien dat zijn volk zich er wat meer in verdiepte. Menige Atjeher is het spoor van de geschiedenis namelijk bijster. Een lokale krant die melding maakte van het cadeau, meent te weten dat Van Heutsz sneuvelde bij de bestorming van de Atjehse versterking Batu Iliq op 3 februari 1901. Die actie werd juist vereeuwigd met een foto van een springlevende Van Heutsz, omdat de generaal die dag zijn vijftigste verjaardag vierde. Hij zou uiteindelijk 73 jaar worden.

Dat zijn ziel rusteloos ronddoolt in de omringende bergen, zoals de krant suggereert, is niet zo waarschijnlijk. De verovering van Batu Iliq was een sterk staaltje en was bedoeld als bruiloftsgeschenk voor koningin Wilhelmina, die op 7 februari in het huwelijk trad. Dezelfde Atjehse journalist beweert dat het stoffelijke overschot van “de wrede Van Heutsz” rust op Kher Khof, maar diens gebeente werd in werkelijkheid in 1927 bijgezet op de Nieuwe Oosterbegraafplaats te Amsterdam.

De wat ongelukkige gang van zaken rond de plaquette is overigens niet buitengewoon. Van Heutsz-gedenktekens hebben nu eenmaal geen gelukkige geschiedenis. Dat in Batavia - onthuld op 23 augustus 1932 - is na de onafhankelijkheid van Indonesië verdwenen; dat in Amsterdam - onthuld op 15 juni 1935 - werd door de postkoloniale generatie beschouwd als symbool van Neerlands kwade geweten en was in de jaren zestig het mikpunt van provo-happenings. De stenen houwdegen werd meermalen beklad met verf en een natuurkundestudent probeerde een zelfgemaakte bom op hem uit.

Het borstbeeld van Van Heutsz in diens geboorteplaats Doetinchem werd in 1965 door twee Drentse provo's voorzien van de volgende tekst: “Ontslapen onder het hakenkruis; gesneuveld bij het uitmoorden van het 39ste Atjehse dorp, bij het verkrachten van de 79ste Atjehse vrouw, om het geschokte vertrouwen van het Nederlands-Indische bestuur opnieuw te funderen”. Ook Nederland nam het in de jaren zestig niet zo nauw met de historische feiten. Een van de Drentse tekstschrijvers heette Relus ter Beek. Generaalsdochter mevrouw van der Weijden-Van Heutsz spande een proces tegen hen aan en de belhamels kregen een boete van vijftig gulden.

    • Dirk Vlasblom