Het taxeren van pensioenvarkens

Wie samen met anderen deelneemt in een pensioenregeling bij een pensioenfonds of verzekeraar, ondervindt voor- en nadelen van zo'n collectieve aanpak. Positief zijn de eenvoud van het produkt en de solidariteit tussen de verzekerden. Dat vereenvoudigt de administratie en leidt misschien tot lagere premies. Deskundigen die namens kritische consumenten menen te spreken vinden de uniformiteit juist een nadeel en pleiten voor individuele, flexibele ieder voor zich-pensioenen.

Negatief is de ondoorzichtige waardering van pensioenrechten. Meestal komt dat niet aan de orde. Je betaalt premies en als alles volgens plan verloopt, breekt de laatste werkdag aan en gaat het pensioen in. De tussentijdse of contante waarde van die rechten wil niemand weten, behalve bij echtscheiding, bij afkoop van een pensioen in verband met emigratie en bij (min of meer) gedwongen ontslag. Dan is het zeer belangrijk, vooral omdat het kan gaan om tonnen en soms miljoenen guldens.

De preventieve gang naar de pensioenadviseur blijkt in zulke gevallen zelden van nut, stelt pensioenjurist Onno Blom. Onverwachte zaken als een scheiding en de financiële gevolgen ervan blijken dan toch stelselmatig genegeerd te zijn; het ligt te veel in de taboesfeer. Doet zo'n gebeurtenis zich toch voor, dan vereist de verdeling van bezittingen - een huis; vorderingen, zoals pensioenen - leiding van advocaten.

Na advocaten, taxateurs en pensioendeskundigen komt de financiële planner aan de beurt - als die al wordt ingeschakeld. Bij de huidige welvaart en de omvangrijke bezittingen van echtparen is er wat voor te zeggen om het materiële aspect van een defusie te benadrukken door naast of in plaats van een advocaat een echtscheidingsplanner te benoemen, oppert Blom.

Bij de taxatie van ouderdoms- en weduwen-/weduwnaarspensioen, de inhoud van het pensioenvarken, kan je haast niet zonder deskundige. Vaak nemen betrokkenen niet alleen deel in een pensioenregeling, maar hebben ze enkele keren een fiscaal aantrekkelijke koopsom voor een lijfrente gestort, al dan niet bij meer dan één maatschappij.

Blom illustreert met een vereenvoudigd praktijkvoorbeeld hoe een kritische analyse tot een andere uitkomst kan leiden dan de betrokken verzekeraar opgeeft. Het gaat om een scheidend echtpaar zonder kinderen. De man is 38 en de vrouw 35. Ze werken bij hetzelfde bedrijf, verdienen evenveel, hebben een gelijk pensioen en zijn in gemeenschap van goederen getrouwd. Beide hebben een ouderdomspensioen (OP) van 15.000 gulden per jaar vanaf de laatste werkdag en een weduwen-/weduwnaarspensioen (WP) van 10.500 gulden per jaar dat ingaat bij overlijden van de man of de vrouw. Gelijke beloning dus.

Hun pensioenfonds taxeert op verzoek de contante waarde van de verzekerde aanspraken. Dat wil zeggen: alle periodieke uitkeringen worden teruggerekend naar één bedrag, uitgaande van een bepaalde rente en de levens- en sterftekansen van mannen en vrouwen. Die kansen zijn vermeld in "sterftetafels'; de prijslijsten van actuarissen, in levensverzekeringen gespecialiseerde wiskundigen .

Het fonds kiest voor de tafels GBM (Gehele Bevolking Mannen) uit de periode 1980-1985 en GBV uit dezelfde jaren voor de vrouw. Bij de berekening wordt gedaan alsof de vrouw twee jaar jonger is omdat vrouwen gemiddeld langer leven. De OP-waarde bedraagt volgens deze berekening 42.500 gulden voor de man en 56.000 voor de vrouw. De WP respectievelijk 31.000 en 7.050 gulden. De WP van de vrouw is beduidend lager omdat statistisch gezien de kans gering is dat de man langer leeft dan de vrouw.

Deze waarden gaan in een formule waarvan de uitkomst aangeeft wat de echtelieden elkaar moeten betalen voor hun herwonnen vrijheid. De man bezit 73.500 (OP + WP) en de vrouw 63.500 gulden. Ze geven elkaar van die bedragen de helft na aftrek van het WP. Om een lang verhaal iets in te korten: de vrouw moet haar ex-man eenmalig 18.725 gulden betalen, of als alternatief na haar pensioen een jaarlijkse uitkering van 7.800 gulden. Ze voelt daar niets voor en raadpleegt een adviseur.

Het adviesbureau vindt de verschuiving van twee jaar een vorm van discriminatie en herrekent met niet verschoven sterftetafels. Dat geeft een andere uitkomst. De man heeft nu 71.300 in zijn pensioenvarken en de vrouw 60.400. Zou je daar over en weer de helft van verrekenen, na aftrek van de WP-waarden, dan moet de vrouw 14.950 gulden, in plaats van de genoemde 18.725, aan de man betalen. Dat komt neer op een uitkering van 6.500 gulden per jaar.

De rol van het wederzijdse nabestaandenpensioen is gebaseerd op het Boonvan Loon-arrest van de Hoge Raad uit 1983. Dit uitspraak stelt de redelijkheid voorop. Zonder het WP zou de vrouw slechts 4.750 gulden betalen. Dat is redelijker dan de uitkomst van de andere twee berekeningen. Pensioenfondsen en verzekeraars zouden derhalve moeten overwegen de WP-bijtelling en -aftrek niet in alle gevallen automatisch toe te passen. Deze berekeningen worden overigenseenvoudiger als de wet verevening pensioenrechten bij echtscheiding wordt ingevoerd, maar die zit nog in de politieke molen.