HET ONVERZOENLIJKE VERZOEND; De moeizame evenwichtskunst van de Ost-politiek

In naam van Europa. Duitsland en het gespleten continent door Timothy Garton Ash 768 blz, Meulenhoff/Kritak 1993, vert. Jan Willem Bos e.a. f 69,50. (In Europe's Name. Germany and the divided Continent 1993, Jonathan Cape, f 83,75. Duitse vertaling: Deutschland und der geteilte Kontinent, Carl Hanser Verlag, f 89,10) ISBN 90 290 407 26

Iedereen die wel eens de bekende Andrees Handatlas ter hand heeft genomen, weet uit eigen ervaring dat deze amper te tillen is. Nog erger is het gesteld met de zakatlas die in geen enkele zak past. De vergelijking met Duitslands plaats in Europa ligt voor de hand; het verenigde Duitse Rijk van 1871 had een wat onhandzaam formaat voor het centrum van het kleine Europa. Dat is er met al de extreme wisselvalligheden van de twintigste eeuw niet beter op geworden. Naast formaat en centrale positie is de loden erfenis van de Tweede Wereldoorlog een zwaar wegende factor die er steeds voor zorgt dat Duitsland een probleem blijft. Een zeer ingewikkeld, schier onoplosbaar vraagstuk.

De Britse historicus Timothy Garton Ash (1955), heeft een helder boek geschreven over wat nog weer een extra ingewikkelde episode was binnen de toch al gecompliceerde recente Duitse geschiedenis: de Ost-politiek van vooral na 1970. Ash, verbonden aan St. Anthony's College van de Oxford University, publiceert regelmatig in The New York Review of Books. Van zijn hand verscheen onder andere het ook in het Nederlands vertaalde boek The Uses of Adversity, over zijn reizen in Midden-Europa. Het is moeilijk voorstelbaar dat er een nog ingewikkelder officiële politiek - met meer kluwens - is gevoerd dan de Ost-politiek van de regering in Bonn. Die politiek zit vol contradicties; elke computer zou zo'n programma weigeren. Het Constitutionele Hof in Karlsruhe verslikte zich er al bijna in, toen het de relaties tussen de beide Duitse staten juridisch moest omschrijven: geen binnen-, maar ook geen buitenlandse politiek.

Ash' boek moest ook wel één doorlopende oefening in dialectiek worden, maar dan wel op een Oxford-manier geschreven en niet met dat loodzware, onpolitieke jargon van de Frankforter school. Ash is wars van droogzwemmen in abstracties; hij houdt wel degelijk voortdurend rekening met de bestaande Oost-West-machtsverhoudingen, waarbinnen de Duitse Ost-politiek moest worden gevoerd. Zijn realisme leidt echter geenszins tot een onderschatting van de morele betekenis en kracht van dissidente bewegingen onder de communistische dictatuur in het Oosten.

""De Ost-politiek werd geboren als de Duitse versie van détente''. Duitsland kon en mocht niet langer dat ijzige blok in het midden van Europa blijven dat de ontspanning in de weg stond, zoals het in de tijd van Adenauer had gedaan. Maar welke relaties Bonn ook in het Oosten aanknoopte, het mocht niet ten koste van de verankering in het Westen gaan.

INSTEMMING VAN MOSKOU

In de jaren zestig wordt in Bonn koortsachtig gezocht naar wegen om enerzijds te blijven streven naar verdwijning van de DDR-dictatuur, anderzijds te komen tot betere relaties met Oost-Europa. Bonn onderhield voor 1970 namelijk geen normale diplomatieke relaties met Warschau, Boedapest of Praag. De Bondsrepubliek zou niet tot normalisering van deze betrekkingen kunnen komen, wanneer niet eerst de relatie met Oost-Berlijn geregeld zou zijn. En daarvoor was ook de instemming van Moskou nodig. De Russische machthebbers hadden hierbij uiteraard weer hun eigen Sovjet-belangen op het oog. Het gaat wat ver om te beweren dat Moskou vanaf 1975 de beide Duitse staten tegen elkaar uitspeelde, maar vanuit het Kremlin werd de goede relatie met Bonn wel degelijk gebruikt om het Oostduitse regime zo nu en dan in te tomen. Te goede relaties tussen Bonn en Oost-Berlijn waren in ieder geval geen Sovjet-belang. Bonn heeft anderzijds enkele malen geprobeerd de macht van Moskou te gebruiken ten opzichte van Oost-Berlijn.

De industrieel sterke positie van de Bondsrepubliek was van groot gewicht bij de onderhandelingen van de Ost-politiek. West-Duitsland werd Moskous belangrijkste handelspartner in het Westen. Brezjnev rekte het leven zelfs met een Westduitse pacemaker.

Bij alle toenadering bleef het beleid van Bonn echter gericht op het herstel van de Duitse eenheid en de verdwijning van de DDR. Met dat verre doel voor ogen steunde de Westduitse regering het regime in de DDR in de hoop dat, wanneer dat verwerpelijke regime zich zekerder zou voelen, een liberalisering zou kunnen optreden: meer vrijheid voor de burgers in de DDR en dientengevolge uitholling van binnenuit van dat vreselijke regime. Dialectisch samengevat was de theorie dus: het DDR-regime moet versterkt worden, opdat het zou verzwakken en tenslotte zelfs verdwijnen.

Een echte dialecticus heeft hiermee geen enkele moeite, maar er kan natuurlijk onderweg veel mis gaan. Middelen kunnen doelen op zichzelf worden. Zo werd stabiliseren van de DDR zo'n (tussen)doel waaraan veel ondergeschikt werd gemaakt. Een nadeel daarbij was dat door de steun uit het Westen ook de druk op het regime werd weggenomen om zelf tot hervormingen te komen. Er werd zelfs beweerd dat Franz-Josef Strauss in 1983 met een grote lening die hij naar Oost-Berlijn kwam brengen, een financiële catastrofe van de DDR hielp afwenden. Ruimte voor Westduitse ondersteuning van dissidenten binnen deze politiestaat was er bijna niet.

Hoe kon door ontspanning het leven voor "de mensen' - te onderscheiden van de machthebbers - in de DDR draaglijker worden gemaakt? Ook dat was een tussenstation op de lange weg naar de Duitse eenheid. Wie moeilijk deed in de DDR, verdween vroeg of laat wel naar het Westen. Ook in dat opzicht hielp de Bondsrepubliek - naast de Stasi - de DDR haar interne rust te bewaren, zoals import uit het Westen de noodzaak tot hervormingen in de DDR verkleinde. De aloude kreet dat "emigratie de Duitse vorm van revolutie' is, bleek ook hier van toepassing.

ACROBATIEK

De diplomatie van de Ost-politiek, zoals na 1970 bedacht en uitgevoerd door Willy Brandt, Egon Bahr en Walter Scheel is een uniek soort judo plus evenwichtskunst geweest waarbij voortdurend het onverzoenlijke verzoend werd: de kwadratuur van zoveel cirkels, er moesten zoveel ballen tegelijk in de lucht gehouden worden, zonder dat er één mocht vallen. Ost-politiek betekende vooral ook "to agree to disagree'.

Er moesten vele kolen en geiten worden gespaard. De status quo moest erkend worden om die te overwinnen, de DDR-partijstaat moest versterkt worden om hem te verzwakken; democraten moesten niet gesteund worden om op die wijze de democratie te steunen. Na de eenwording zei Egon Bahr tegen de dissidente Bärbel Bohley: ""Juist doordat wij niet publiekelijk aandrongen op bewegingsvrijheid voor de oppositie (in de DDR), hebben jullie die gekregen.''

Bahr is helemaal de dialecticus par excellence geworden. Voor hem was 2x2 bijna nooit vier en liep geen enkele lijn meer recht. Ash vergelijkt hem met een hazewindhond die met moeite aan de riem was te houden; anderen zien in hem een soort Bismarck van de twintigste eeuw. Deze diplomatieke acrobatiek is alleen te vergelijken met de hogeschool-staaltjes die Henry Kissinger uitvoerde met zijn "shuttle diplomacy' in het Midden-Oosten na de Oktoberoorlog van 1973. Kissinger, die ook de grote architect was van de ontspanning tussen Washington en Moskou, heeft overigens vanaf het begin zijn "concurrent' Bahr gewantrouwd als een Duitse nationalist.

Steeds weer komt de vraag aan de orde of Bonn niet te ver is gegaan met het ontspannen door stabiliseren; dat was uiteraard een programma van ononderbroken onderhandelingen met veel hellende vlakken die konden leiden tot maar al te veel politiek-op-kousevoeten en pluimstrijkerij. Het leidde zelfs tot zelfcensuur bij de Westduitse media. Alles moest gedaan worden om de cipiers menselijker te doen zijn. Bonn kreeg overigens zelden de waar die als tegenprestatie voor zijn geld en inspanning werd verwacht. Ash vergelijkt de situatie met een gesprek over de radio met vliegtuigkapers.

SNEEUWBALLEN

Bij zoveel dialectiek is de Poolse Solidariteit voor Ash voortdurend een baken in de grondzee van "appeasement' en collaboratie. Hij laat zien welke invloed zo'n dissidente beweging wel kon hebben tegenover de "Realpolitik' (""Solidariteit was allesbehalve dialectisch''). Het moedige realisme van idealisten bleek groter te zijn dan dat van zogenoemde realisten.

Dat de regering in Bonn in haar streven naar een ontspannen relatie met de machthebbers voor de dissidenten zo weinig oog had en dat zij zo weinig steun heeft gegeven aan de oppositiebewegingen in het Oostblok, is een steeds terugkerend punt van morele en politieke kritiek in dit boek. Het rechtvaardigen van de staatsgreep van generaal Jaruzelski in december 1981 op basis van argumenten van Realpolitik - alles beter dan een Russische inval - vindt bij Ash geen genade. Hij kiest in dit soort dilemma's voor het Amerikaanse rigoureuze standpunt. West-Europa mag zich, volgens Ash, best de vraag stellen waarom vier decennia na de oorlog in Europa zoveel dat essentieel was voor het overwinnen van de deling van Europa, juist door Amerika en Amerikanen werd gedaan en niet door Europeanen.

Van alle Westerse landen was de waardering voor Jaruzelski's optreden het grootst in de Bondsrepubliek. ""Terwijl de leiders van Solidariteit vlak over de grens in kampen werden gegooid, gooiden de beide Duitse leiders (Schmidt en Honecker) sneeuwballen in het dorpje Güstrow.'' Maar redelijk als de auteur probeert te zijn, wordt ons tegelijk verzekerd dat de Amerikanen te zeer verslaafd waren aan hun stokslagen, zoals de Duitsers dat waren aan het uitdelen van wortels.

Schmidt en Honecker waren beiden wars van "onbeheersbare ontwikkelingen'. Hervormingen van bovenaf verdienden de voorkeur. Volgens partijgenoten van kanselier Schmidt brachten de wild opstandige Polen zelfs de vrede in Europa in gevaar. Poolse en Duitse belangen botsten hier hard op elkaar. Voor Westduitse socialisten was stabiliteit een waarde op zichzelf geworden. ""Het woord "vrijheid" neemt in de sociaal-democratische documenten uit deze periode geen prominente plaats in'', stelt Ash vast. Orde ging boven vrijheid.

Ash verwijt de Westeuropese politiek in het algemeen veel a-principieel partijpolitiek opportunisme. ""Een groot deel van de jongere generatie had het begrip verloren dat het conflict met de Sovjet-Unie niet alleen een conflict was tussen twee grootmachten, maar ook een conflict tussen vrijheid en tirannie'', schreef de SPD'er Richard Löwenthal in 1984. Ash komt tot de conclusie dat een iets meer uitgesproken politiek zelfs binnen de beperkingen tot de mogelijkheden had behoord.

Zijn Duitse socialisten inderdaad verder gegaan met de "Anbiederung' dan de christen-democraten? Ondanks het feit dat Ash van individuele socialistische politici vele staaltjes van "op schoot kruipen' bij DDR-machthebbers registreert, gaan de christen-democraten bij hem geenszins vrijuit. Er was immers ondanks de wisseling van de politieke wacht in Bonn in 1982 een frappante continuïteit in de Ost-politiek. Wel bleven de christen-democraten langer en met grotere regelmaat spreken over de Duitse eenheid - lippendienst volgens de socialisten, toen daar weinig perspectief op was. Ook bleven zij meer de onoverbrugbare verschillen tussen Oost en West beklemtonen. Maar ook zij ontkwamen niet aan de zojuist aangeduide tweeslachtigheden tegenover de DDR.

WIJS EN FAIR

Ash' studie is niet alleen wijs maar ook fair. Hij is bijna steeds uit op een evenwichtige beoordeling van zeer complexe problemen. Het boek is trouwens meer een diepte-analyse van alle paradoxen dan een doorlopend, volledig geschiedverhaal over de zeer vele aspecten van de Ost-politiek.

Wat hij op basis van pas ontdekt materiaal openbaart, is niet echt opzienbarend. Nog veel materiaal kon hij niet bestuderen. Het archief van de SED en Stasi heeft hij wel uitgebreid geraadpleegd; daarnaast heeft hij vele interviews met Oostduitse politieke leiders als Honecker gehad. Hij heeft bij het gebruik van dit materiaal een opvallend contrast benut: Westduitse politici zijn er nu op uit hun contacten voor 1989 met hun tegenhangers in het Oosten te minimaliseren. Voor Honecker c.s. is het daarentegen nu van belang de contacten met Bonn te maximaliseren. Geen van beide verhalen is dus te vertrouwen, maar door ze tegen elkaar af te zetten komt de schrijver al een heel eind.

Ash is ook heel goed in het doorzien van de speciale retoriek en rituelen - minister Genscher wordt hier een superproduktieve halfgeleider genoemd; die horen bij zo'n dialectische politiek waarbij politici nog minder dan anders kunnen zeggen waar ze op uit zijn. De vraag blijft, aldus Ash, of de Westduitse beleidmakers zo langzamerhand niet echt zijn gaan geloven in wat ze zeiden.

Het woordenspel krijgt zo nu en dan geheel de overhand, wanneer de termen "Duits' en "Europees' worden gebruikt. Soms lijken ze wel als synoniemen gebruikt te worden. Zo is van minister Genscher de uitspraak bekend: hoe Europeser, des te nationaler.

Ash' boek is soms wat wijdlopig met wel erg veel herhalingen. De opbouw van het boek is misschien ook niet de sterkste kant ervan. Zo is de inleiding van zestig pagina's veel te lang en te omslachtig als ware zij bedoeld om de lezer te testen of hij dit lange boek wel aan zou kunnen. De lezer wordt zeer uitvoerig gewaarschuwd voor de valkuil van het retrospectief determinisme, dat wil zeggen achteraf te denken dat het wel zo moest lopen als het door de revolutie van 1989/90 verlopen is. Wie immers had niet verwacht dat de Sovjet-Unie nog zeer lang vast onderdeel zou blijven van het Europese landschap? De voorspelling van het einde van dit rijk had toch iets als de aankondiging dat de Alpen zouden instorten?

PARADOXEN

Ash is werkelijk verliefd op paradoxen: heel veel is ironie of paradox. Hij stelt de vraag wat in de politiek ten opzichte van de Sovjet-Unie meer gewerkt heeft: de stokslagen of de wortels? Het antwoord is: ""In feite waren de wortels stokslagen geworden.''

Alles heeft ten minste twee kanten, maar Ash gaat duidelijke samenvattende oordelen geenszins uit de weg. Soms zijn het harde oordelen. Veel van de Bonner politieke opvattingen worden misverstanden genoemd. Maar, aldus Ash' ultieme paradox: de Westduitse politici deden het goed omdat ze het verkeerd deden. Duitsland heeft domweg geluk gehad met Gorbatsjov, die de juiste combinatie had bereikt in 1990 van kracht en zwakte. Als hij nog zwakker zou hebben gestaan zou hij weinig meer in de Sovjet-Unie hebben kunnen afdwingen. Wanneer zijn positie sterker was geweest, zou hij niet zo toegevend jegens zijn nieuwe vriend Kohl zijn geweest.

Zeer afgewogen - hij vreest zelf te harmonieus - is zijn oordeel over de grote verandering van de Sovjet-politiek onder Gorbatsjov met al haar illusies. Wie in het Westen had gelijk, de "doves' of de "hawks'? Geen van beiden. De oorzaak van de grote verandering is te vinden in de Sovjet-Unie zelf. Men kan de vraag stellen of Ash hier niet al te sterk het primaat van de binnenlandse politiek predikt. Overtuigender is hij met de stelling dat het einde van de Koude Oorlog kwam èn door de confrontatie-politiek van het Westen èn door de ontspanning.

Ten slotte maakt Ash nog een paar opmerkingen over de vergrote, veroostelijkte Bondsrepubliek Duitsland van na 1990. Ook hier laat de beeldspraak hem niet in de steek. De regering in Bonn bevindt zich volgens hem ongeveer in de positie van een binnenschipper die plotseling het gezag krijgt over een olietanker in volle zee. Dat leidt tot zijn vraag: Is het nu zover dat de Duitsers zichzelf in bedwang kunnen houden? Zelfs de moralist-historicus Ash waagt zich in deze waardevolle studie niet aan een antwoord op die vraag.