"Gretig graaien' de Weense politici

Al weken wordt Oostenrijk geplaagd door de "Lutsch'-affaire en de "Grapsch'-affaire. Geen dag gaat er voorbij of de kranten brengen een nieuwe aflevering van deze tragi-comedie, die onder het hoofdje "ongewenste intimiteiten op het werk' wordt opgevoerd. Ministerszetels staan erdoor op wankelen, parlementariërs vrezen voor hun verkiesbare plaats, bondskanselier Vranitzky verliest erdoor aan populariteit.

WENEN, 16 OKT. Lutschen betekent zuigen of sabbelen. En heel wat manlijke chauvinisten in het parlement moesten dan ook lachen toen vorige maand de Groene afgevaardigde Terezija Stoisits problemen met haar microfoon had en het lid van de Volkspartij Burgstaller (volgens een aantal oorgetuigen): "lutschen' riep. Maar het lachen verging de volksvertegenwoordigers al gauw. Vrouwenorganisaties waren woedend en Burgstaller moest zijn partijlidmaatschap neerleggen, ook al zei hij in een harde televisiediscussie het bewuste woord nooit gezegd te hebben. De opmerkelijkste discussiebijdrage kwam in deze affaire overigens van de afgevaardigde van de rechts populistische FPÖ Karin Praxmarer : “Een echte dame denkt bij zo'n opmerking als lutschen niets slechts; en wie wel iets slechts daarbij denkt is geen dame”.

Veel hogere golven sloeg de "Grapsch'-affaire. "Grapschen' - dat volgens sommige Weense taalpuristen "Grabschen" zou moeten worden geschreven - betekent graaien, volgens Van Dale “met de handen gretig in iets rommelen”. Precies dat zou de huidige sociaal-democratische minister van sociale zaken Hesoun zes jaar geleden in het rugdecolleté van zijn partijgenote Waltraud Schütz hebben gedaan. Daarbij zou hij zijn gerommel tot de niet nader ingepakte voorzijde van mevrouw Schütz hebben uitgestrekt.

Waltraud Schütz verkocht haar partijgenoot destijds geen klap, want zij wilde graag in de parlementaire commissie voor sociale zaken komen en daarvoor was zij afhankelijk van Hesoun. Zij vertelde haar verhaal pas vorig jaar in een interview voor een wetenschappelijk onderzoek naar het leven van vrouwen in de politiek nadat haar anonimiteit was gegarandeerd. Van die anonimiteit bleef alleen niet veel over toen een rel over het onderzoeksresultaat was ontstaan. Het weekblad Profil onthulde haar naam.

Minister Hesoun zei zich niets van het voorval te kunnen herinneren; Waltraud Schütz hield daarna voet bij stuk dat ze “begraaid” was als beschreven. Wel zei ze dat het onzinnig zou zijn Josef Hesoun als de grote schuldige aan de kaak te stellen: 90 procent van alle mannen gedroegen zich, volgens haar, zoals hij. Maar toen Hesoun, in aanwezigheid van bondskanselier Vranitzky, haar vroeg zich te verontschuldigen, ging haar dat uiteraard te ver.

Daarna spitste de zaak zich toe. Hesoun kondigde aan een aanklacht te gaan indienen, de minister voor vrouwenzaken Johanna Dohnal zei dat hij dat vooral moest doen en anders zou moeten aftreden, waarop Vranitzky niets beters wist te bedenken dan in woede minister Dohnal te schrobberen en te verklaren dat het verwijt dat hij in zijn gelederen "sexisme' tolereerde hem “geen bal kon schelen”.

Columns, televisiediscussies, opiniepeilingen, solidariteitsbetuigingen waren daarna niet meer van de lucht. Het "geweten' van de sociaal-democratische fractie in Wenen, Rupert Gmoser, maakte zijn voortijdige vertrek bekend omdat hij het hele gedoe (van Schütz en Dohnal) schadelijk vond voor de partij. Een 64-jarige hoge ambtenaar in Graz, Reinweber, ging daarentegen vervroegd met pensioen omdat bekend was geworden dat hij een Chinese tolk zo krachtig het hof had gemaakt dat zij in huilen was uitgebarsten. Een opiniepeiling, die over de kwestie door het dagblad Kurier was georganiseerd, gaf intussen aan dat 58 procent van de ondervraagden vonden dat minister Hesoun niet hoefde af te treden voor zijn "grapschen'. 25 procent wist het niet, 18 procent vond dat hij weg moest.

Dit resultaat laat ondanks alles toch blijken dat de Oostenrijkse vrouw meer van zich afbijt dan vroeger. Nog in 1985 zei 85 procent bij een opiniepeiling vader of echtgenoot te volgen in hun maatschappelijke opvattingen. Nu is dat percentage gedaald naar 70. Niet in de laatste plaats komt dit door het optreden van Johanna Dohnal, die eerst als staatssecretaris, nu als minister vecht voor de belangen van de "onderbetaalde, dubbelbelaste, onderdrukte' Oostenrijkse vrouw. Sinds begin van dit jaar kan men nu met de wet in de hand tegen "ongewenste intimiteiten op het werk' in het particuliere bedrijfsleven optreden (bij de overheid is men nog niet zo ver). Juist omdat het hanteren van deze nieuwe wet tot de verantwoordelijkheden behoort van de minister van sociale zaken vond minister Dohnal dat Hesoun òf moest aantonen dat hij partijgenote Schutz niet had lastiggevallen òf aftreden.

Een Weense advocate, gespecialiseerd in gelijke behandeling van mannen en vrouwen, heeft sinds 1991 vijftig gevallen onderzocht van vrouwen die aanklachten hadden ingediend tegen manlijke collega's wegens sexuele toespelingen, billeknijpen, etc. De helft van hen was na korte tijd haar baan kwijt. In alle gevallen had het de positie van de betreffende vrouwen in hun bedrijven geen goed gedaan. Het sociaal-democratische parlementslid Schütz is er ook nog niet zeker van dat haar politieke carrière geen schade zal lijden door de zaak met Hesoun. Haar verkiesbare plaats op de lijst van Linz is al omstreden.

Het dieptepunt bereikte de "Grapsch'-affaire overigens met een uitspraak van de leider van de Freiheitliche Partei Österreich, Jörg Haider. Nadat hij eerst iets gezegd had over goede manieren die in een partij moesten worden gehanteerd zei hij dat minister van vrouwenzaken Dohnal zich alleen maar zo beledigd had getoond over de hele kwestie “omdat zij zelf niet was begraaid”.