Frankrijk; Pitbulls en brilslangen achter het overheidsloket

PARIJS, 16 OKT. De binnenplaats van de Préfecture de Police is zoals het hoort. Hoge, slappe antennes op de daken. Donkere auto's van Franse makelij, met halve bemanningen eruit hangend, rokend, dollend. Rechte petten en slappe grappen. Vlijmscherp als het het landsbelang dat vraagt. Maigret en Louis de Funès in vergadering bijeen.

Wie hier niet werkt, komt niet voor zijn plezier. Je bent vreemdeling en je hoopt op een verblijfsvergunning. Of je probeert een kentekenbewijs te bemachtigen. Of allebei. Dan loop je wat af binnen de touwen die op dit binnenplein zijn gespannen om het publiek niet onnodig snel te leiden naar het lokaal van bestemming.

Eerst was me verteld dat ik onverwijld naar het Hôtel de Police in mijn arrondissement toe moest voor een verblijfsvergunning. En een werkvergunning. Zo maar gaan werken was af te raden, EG of geen EG. Bij het politiebureau nam niemand notitie van mijn komst, noch van mijn vertrek na drie kwartier. Ik had best een vijand kunnen zijn, die de maten kwam opnemen.

Op een ministerie hoorde ik dat er een snellere route was: direct bij het hoofdbureau, daar moeten de wijkbureaus toch alle de aanvragen naar doorsturen. Het adres was duidelijk: nummer 9 op een grote boulevard. Daar was het dus niet. Er stond wel een agent voor de deur die na enig aandringen bereid was de richting te wijzen waar verblijfspapieren beschikbaar werden gesteld. Dat hielp niet erg. De hele buurt staat vol met Franse gebouwen uit de goede tijd.

Via het postkantoor belandde ik bij toeval voor de juiste ingang van de Préfecture. Vliegtuig-sluis, drie dameshyena's in de gang. Wat, een verblijfsvergunning? Die moet u bij uw eigen politiebureau aanvragen. U kunt via de binnenplaats weer naar buiten. Dit is het Frankrijk uit de films, zwarte busjes met manschappen, slappe antennes.

Weer met het ministerie gebeld. Verontwaardiging. “U moet ook niet zeggen waar u voor komt. U moet doorlopen naar E175.” Derde aanloop. Spullen weer door de radar, in één keer langs de hyena's. Tweede kennismaking met het binnenplein. E 175 is op de eerste verdieping. U moet aan de overkant zijn. Nee, beneden, nee morgen, wie heeft u gestuurd? Andere buitenlanders hebben het even moeilijk. Een beetje Frans spreken helpt niet, de bureaucratische kaste tolereert bezoek node, maar wegwijs maken is niet aan de orde. De schemering valt al wanneer een zwijgende jongeman in de Cellule Cas Spéciaux een Aanvraag voor een Vergunning tot Verblijf uittikt. De echte vergunning kan drie weken later worden afgehaald. Ergens anders.

Het kentekenbewijs zou een routineklusje worden. Zelfde gebouw, zelfde binnenplaats, zelfde dag klaar. Langs de radar-dames gevlogen. Agenten en agentes in rust bewonderd. Aardige, menselijke lui. Nummer gekregen. Veel andere buitenlanders weten niet dat je dat moet vragen. Staat ook nergens. Op een bord flitst mijn nummer langs. Ik mag naar een loket waar ik word verwelkomd door een schrijvende brilslang. De Fransman voor me kwam helemaal gekreukeld terug met een stapeltje afgekeurde paperassen.

Identiteitspapier. Nederlands paspoort? Waar heeft u het over? Mijn garage had me goed voorbereid: ik had m'n laatste gasrekening bij me om te bewijzen dat ik besta. Het onderhoud is voorbij. “A la caisse.” Dank u wel. Mag ik daarna weer bij u terugkomen? “A la caisse!”

Kennelijk niet. Dan maar naar de kassa. De onzekerheid op de meeste andere gezichten in deze formulierenloods geeft troost. Het ligt niet aan mij. Ik neem kassa C, daar is de rij het kortst. Na een kwartier aan de beurt. “Heb ik u opgeroepen?” Eh, niet direct. “Volgende.” Even zitten. Ik meen mijn nummertje te horen. En er staat B op, dus dan maar naar kassa B.

De charmante cobra achter raampje B ontkent iets te maken te hebben met mijn Grijze Kaart, zoals het begeerde document toepasselijk is genoemd. Raampje dicht. Verbroedering met andere verworpenen. Sommigen zijn doof èn immigrant. Ook degenen die niet goed kunnen lezen moeten hier zaken zien te doen.

Als mevrouw C mijn nummer door de microfoon kraait, overweeg ik even bloemen te gaan kopen. Een overdreven gevoelige gedachte. De bevallige pitbull die mijn bonnetje weggrist, zou er niet onmiddellijk door veranderen in een prinses. Daarvoor is de bureaucratie al te ver in haar leven doorgedrongen. Ik moet 994 francs betalen. De kunst is dan je cheque in één keer precies goed in te vullen, anders is-ie besmet. Hoe luidt de naam van de geadresseerde? “Nous'vonsc'chet”, slist ze. Ik vraag het nog eens. “Nous'vonsc'chet!” Vonken schieten uit haar ogen, het tandvlees wordt even zichtbaar. Zo kan ik de cheque niet afmaken. “NOUS'VONSC'CHET!”, krijt de pit en heft een stempel ten hemel.

Een cachet is een stempel. En er zijn veel stempelkussens in Frankrijk. Maar een kentekenbewijs in anderhalf uur. Welk land doet dat na?