De overtreffende trap van wereldvreemd; Een tocht naar de noordgrens van Afghanistan

Er is een officiële regering, maar de premier kan zich niet in de hoofdstad vertonen. Als de president op staatsbezoek gaat, houdt een generaal zijn stoel bezet. Kabul blijft het domein van de vechtersbazen. De Afghaanse broedertwisten - die door de oorlog tegen de Russen even gedempt waren - zijn allerminst bezworen. Af en toe vindt men elkaar in een gezamenlijke antipathie, zoals tegen de Tadzjieken in het Noorden. Reis naar een obscure grens.

Mijnheer Amanullah begint zijn werkdag 's ochtends om acht uur. Een lachend rond hoofd straalt onder een platte pannekoekhoed. Tassen vol aardappelen, wortels, vlees en rijst torst hij naar binnen. De hele ochtend staat hij te koken. Altijd hetzelfde, want de Oezbeekse kok kan maar een gerecht maken. Na de lunch zet hij de restanten voor het avondeten in schalen op het aanrecht, vult potten en pannen voor het geval het water uitvalt en vertrekt weer. Gewoonlijk om twee uur. Maar het is nu al bijna donker en Amanullah is er nog steeds. Hij zit buiten op het terras en luistert naar de doffe ploffen van een raketbeschieting. De nachtwaker legt uit dat de kok wacht tot het schieten minder wordt. In zijn wijk zijn gevechten uitgebroken tussen Hazara's en Pathanen. Met zijn spleetogen zou de Oezbeek aangezien worden voor Hazara en misschien beschoten of gekidnapt worden. Amanullah maakt zich zorgen om vrouw en kind die alleen thuis zijn. Als we zeggen dat wij, zichtbaar buitenlands en dus geen partij in het conflict, hem in de jeep naar huis zullen brengen, accepteert hij meteen. Blijkbaar is hij zo bezorgd, dat hij afziet van het beleefde, eindeloze Afghaanse weigeren.

Kabul sluimert in de nazomer. Eind mei is na vele mislukte pogingen een regering gevormd. De departementen zijn geopend, de ambtenaren aan het werk. Premier Hekmatyar maakt een rondreis door de buurlanden zoals premiers dat doen. De weg die langs de Pul-i-Charki-gevangenis Kabul binnenvoert, telt minder checkpoints dan dit voorjaar en de huizen langs de weg zijn gedeeltelijk hersteld. De bleekgele lemen muren nog ongeschonden. In de hoofdstad is zelfs verkeerspolitie op straat.

Maar het lijkt mooier dan het is. In het regeerakkoord zijn de belangrijkste geschilpunten, de posten van Defensie en Binnenlandse Zaken, onopgelost gelaten. De departementen zijn weliswaar open, maar de ministers moeten buiten de stad vergaderen met hun premier, omdat Kabul voor hem niet veilig is. Zelfs omgeven door dubbelgangers die sluipschutters om de tuin moeten leiden door eenzelfde leverkleurige shalwar kamiz te dragen en hun tulband op gelijke wijze te knopen, is er geen enkele garantie dat premier Hekmatyar zijn kantoor in de stad levend zal bereiken. De Kabuli's zijn niet vergeten dat hun eerste minister de afgelopen anderhalf jaar woonwijken met raketten heeft bestookt. Zijn laatste blijk van onvrede met de politieke ontwikkelingen, twee weken voor de ondertekening van het regeerakkoord in mei, kostte 1200 inwoners van de stad het leven.

Zijn buitenlandse tripje vangt aan zonder enig decorum. Geen flitsende Concorde of zelfs maar een van de opgelapte Boeings die de nationale maatschappij Ariana heeft aangekocht. Om het vliegveld te bereiken zou Hekmatyar immers door Kabul moeten en zo begint zijn bezoek met een minstens tien uur durende autorit over de hobbelige, kapotgeschoten weg naar Pakistan.

En ook de ministers genieten minder immuniteit dan ze wensen. In de jonge Afghaanse regering zijn negen partijen vertegenwoordigd, maar hun legertjes wachten niet op de uitkomst van de kabinetsbesprekingen. Tijdens een van die zondagse sessies komt een regeringswagen met een boodschapper de zwaar beveilgde compound van Hekmatyar oprijden. Slecht nieuws. Er wordt gevochten in de stad en twee dochters van de minister van Water en Elektriciteit zijn gedood in raketbeschietingen.

De dominante cultuur in Afghanistan is die van de Pathanen, een stammencultuur van geharde mannen die het uitgedroogde ontoegankelijke berglandschap beheersen. Een man met een geweer is een echte man. Een man met land is een echte man. Een man van eer is een echte man.

Aantasting van die eer kan aanleiding tot een stammenoorlog zijn. Eer is alles. Een leven is maar een leven. Het stelsel regels is voor een westerling even wreed als simpel. Begint een man een buitenechtelijke affaire met een getrouwde vrouw, dan zal zijn vader hem doodschieten voor de schande die hij over de familie heeft gebracht. De bedrogen echtgenoot doet hetzelfde met zijn vrouw. De achtergebleven vrouw wordt gekoppeld aan de nu alleenstaande man. Twee rotte appels opgeruimd, de eer hersteld en verdere bloedwraak voorkomen.

Afghanen kenmerken zich niet door hun vergevingsgezindheid, maar door hun onverbiddelijkheid. Iedere invasiemacht, van Alexander de Grote tot Djeghis Khan, van de Perzen tot de Britten en de Russen, heeft kennis gemaakt met die hardheid. De Afghanen zijn trots op hun staat van dienst. De overwinning op de Britten is een nationale feestdag. Maar de kracht van de Afghanen als ze tegenover een binnenvallend leger staan, is hun zwakte als ze geen buitenstaander hebben om tegen te vechten.

Nadat de Russen in februari 1989 na tien jaar vergeefse strijd vertrokken, werd duidelijk dat er niet zoiets is als een Afghaanse eenheid. De mujahedeen brachten weliswaar samen, in wat ze zelf "De Islamitische Revolutie' noemen, de communistische regering ten val, maar onmiddelijk daarna begonnen ze tegen elkaar te vechten. ""De Afghanen vechten al honderden jaren met elkaar'', zegt de Indonesische ambassadeur Havid Abdul Ghani. ""Het is afwachten tot de volgende gevechtsronde uitbreekt.''

De Pakistaanse zaakgelastigde Tariq Aziz, is het met hem eens: ""Iedere dag zie ik vanuit mijn raam twee tanks voorbij komen die naar de andere kant van de stad worden gereden. Al zes weken lang. Vijfenveertig dagen, negentig tanks. De volgende slag wordt een grote.''

De kern van het probleem is het slepende conflict tussen de twee grootste partijen Hezb-i-Islami en Jamiaat-i-Islami. Een interimregering werd in de winter gevormd zonder de Hezbi's. Jamiaat stelde haar belangen veilig met het aanleveren van de president (Rabbani) en de minister van Defensie (Massoud). De leider van de Hezb-i-Islami, Hekmatyar, heeft middels aanvallen op Kabul toegang tot de macht proberen te krijgen. Zijn raketbeschietingen hebben hem geen militaire overwinning opgeleverd, maar kostten wel 6000 inwoners van Kabul het leven. Massaal zijn de Kabuli's de stad ontvlucht. De buitenlandse hulpverleners die het land zo hard nodig heeft om de schade van de oorlog tegen de Russen te herstellen zijn vrjwel allemaal uit de stad vertrokken. Diplomaten zijn er nauwelijks en buitenlandse investeerders hebben wel wat beters te doen dan hun geld te stoppen in een onstabiel land met een aboninabele infrastructuur, de laagste opleidingsgraad ter wereld en een van oudsher op kleine landbouw gebaseerde economie.

Hekmatyar heeft zijn premierszetel te danken aan de steun van Pakistan. De Hezb-i-Islami wordt gezien als een Pathanen-partij en het gebied van de Pathanen ligt voor de helft in Pakistan. ""Pakistaanse generaals hebben nachtmerries over de roep om een onafhankelijke Pathanen-staat'', geeft Tariq Aziz toe. Het is logisch dat Pakistan de rust probeert te bewaren door Hekmatyar in Afghanistan aan de macht te helpen.

Buiten Kabul, in de noordelijke provincies, vormt generaal Rasjid Dostam een belangrijke machtsfactor. De generaal voerde onder de communistische president Najibullah het bevel over de vijfde divisie, maar keerde zich tenslotte tegen zijn baas en steunde de mujahedeen in hun mars naar de hoofdstad vorig jaar. Dostam heeft de Nationale Islamitische beweging van Afghanistan in het leven geroepen. Het is vaak onduidelijk waar Dostam staat, maar soms is hij er ineens: in juli kwam hij met zijn troepen de hoofdstad in om de stoel van president Rabbani warm te houden die naar Turkije ging. Tien dagen paste de generaal op het presidentieel paleis en vertrok toen weer naar Mazar-i-Sharif.

Kabul wordt nog altijd per straathoek geregeerd. Verschillende milities bewaken ieder hun eigen stellingen. De overheid is verlamd door politieke, etnische en religieuze verschillen. Maar de aandacht voor de werkelijke problemen is opvallend snel afgeleid als de Afghanen aangesproken worden op hun gezamenlijke afkeer van de Hazara's.

Hazara's zijn volgens de overlevering de afstammelingen van de duizend man die Djenghis Khan ergens rond 1300 achterliet. Ze heten wreed te zijn: ze kidnappen, verkrachten, snijden borsten en geslachtsdelen af enzovoort. Als de zomertemperatuur tot een hoogtepunt stijgt, worden grote groepen Kabuli's die in slechte hygiënische omstandigheden leven, gekweld door gastro enthritis. Vervolgens maakt de regering bekend dat groente en fruit in de stad niet veilig zijn omdat de Hazara's het proberen te vergiftigen. Wekenlang durft niemand nog fruit te kopen. Dagreizen worden ondernomen naar de Pansjir en Jalalabad om daar mango's en appels te kopen. Karrevrachten meloenen worden in de Kabulrivier gestort. Generaal Babajan die het Kabulgarnizoen leidt, belegt een persconferentie. Glimmend onder de televisielampen maakt hij bekend dat er 52 gevallen van voedselvergiftiging zijn, 5 doden. Maar alles is onder controle. Er zijn 16 Hazara's gearresteerd die met hun injectienaalden in de aanslag stonden om zelfs de kersen te vergiftigen. Dat is voorkomen en beter nog: de regering heeft een tegengif gevonden. Om welk gif het dan gaat, weet de generaal niet en dat de onderzoekers van de VN geen spoortje gif hebben gevonden, begrijpt hij niet.

Zo gaan de politieke spelletjes in Kabul gewoon door.

De paniek over de zogenaamde voedselvergiftiging ebt weg. De bevende oude mannetjes en vrouwtjes die voor volkstribunalen werden gesleept omdat de flesjes gekleurd suikerwater die ze verkochten voor gif werden aangezien, komen weer vrij.

Als de rust weergekeerd is, is er snel een nieuwe zaak van landsbelang: de Tadzjieken. De regering in Kabul beschuldigt de voormalige Sovjetrepubliek ervan Afghaanse dorpjes in het Noorden te beschieten. Niemand weet wat er precies aan de hand is want het Afghaans-Tadzjiekse grensgebied ligt zo afgelegen dat informatie haast niet te checken is. Vanuit Tadzjikistan kun je er niet komen. Daar woedt een burgeroorlog die honderdduizenden Tadzjieken op de vlucht heeft gedreven. Vanuit Kabul is het gebied dat op enkele honderden kilometers afstand ligt, in drieënhalve dag te bereiken.

We reizen uit praktische en veiligheidsoverwegingen met ons drieën. De twee andere journalisten zijn de Nederlandse Jacqueline de Gier en de Amerikaan John Jennings. Jennings spreekt vloeiend Farsi en is voor ons onmisbaar en wij fungeren als zijn safetycatch: een gezelschap met vrouwen wordt minder snel lastig gevallen, beroofd of beschoten.

De nieuwe weg is nog onder Najibullah aangelegd. Hij is langer dan de oude, maar een stuk veiliger. Het wegdek is niet kapotgeschoten en er zijn nauwelijks checkpoints van mujahedeen. De Koochi's, de Afghaanse nomadenstammen, trekken voor de hitte van de dag naar een nieuwe standplaats. De belangrijkste mannen gaan te paard , de rest loopt. De vrouwen ongesluierd, kaarsrecht in bontgebloemde shalwar kamiz. De kinderen met kohlomrande ogen om de kwade geesten af te weren, rennen met twijgjes achter de geiten aan. De kamelen sjokken de lange weg af op hoge benen, zwaar bepakt.

Het gebied rond Pul-i-Chomri is in handen van Ismaeli-leider Sayyed Jaffar. Hij is dol op buitenlands bezoek. De commandant heeft tijdens de oorlog bij MacDonalds in Philadelphia gewerkt en is nogal westers geworden. Hij geeft feestjes waar niet alleen flessen whisky en zware hasjpijpen rondgaan, maar waar je qua vermaak kunt kiezen uit muziek van zijn favoriete band AC/DC of Star TV. Jaffar heeft een enorme schotel laten installeren, hetgeen Pul-i-Chomri en omstreken meteen tot de hot spot van het Afghaanse uitgaansleven maakt. Helaas is de generaal niet thuis.

De Britse ontmijningsorganisatie Halotrust heeft een basis in Pul-i-Chomri. Een handjevol jonge Britten, allemaal oud-officieren, gaat van hier uit iedere ochtend op pad met vijftig Afghanen om mijnen te ruimen. De Halo-Britten worden afgeschilderd als Rambo's, maar ze opereren met een enorm verantwoordelijkheidsgevoel. De Afghanen sporen de mijnen op, de Britten halen ze uit de grond en laten ze ontploffen. Phil Jones: ""Ik ben uit Europa weggegaan omdat ik het daar te complex vind, te decadent. Wat ik nu doe is goed en heel simpel: ik haal een mijn uit de grond en dus kan niemand meer op die mijn lopen.''

De Halo-jongens doen hun werk als vrijwilliger of voor een klein salaris. ""Ik ga dit werk geen tien jaar doen'', zegt Richard Bayliss die al anderhalf jaar in Cambodja mijnen heeft geruimd. ""Er gebeuren dodelijke ongelukken en op een gegeven moment ben jij het. Dat kun je bijna uitrekenen.'' Vorig jaar verloren twee van zijn collega's het leven in een ongeluk met een tank die niet bestand bleek tegen mijnontploffingen. De VN weigerde aanvankelijk om de zwaar gewonde mannen naar Pakistan te vliegen omdat niet duidelijk was wie voor het transport zou betalen en de mujahedeen op het vliegveld wilden eerst nog onder het verband kijken om te zien of het echt niet president Najibullah was, die het land probeerde te ontvluchten.

Even buiten Pul-i-Chomri is een Hezbi-post waar we de volgende dag een bodyguard proberen te krijgen. De weg naar de noordelijke steden Kunduz en Taloqan zou beslist gevaarlijk zijn. Een paar maanden lang durfde geen westerling hier te komen omdat het gebied een vrijplaats zou zijn voor Arabieren die in trainingskampen hun jihad voorbereiden. We willen geen risico nemen. Op weg naar Mazar zijn we beschoten en dezelfde avond werden we in de stad aangehouden door Dostam-militia. We waren gewaarschuwd.

De vroege ochtendzon komt door de statige moerbeibomen die langs de oprijlaan naar de Hezbi-post voert. Commandant Mamur Ghayer geeft een rondleiding door de wat ooit de Britse club was. Bewerkte houten plafonds, mottige clubfauteuils en banken. De lambrizering is van leer, met daarin een reliëf van palmbomen en chinese jonken. Niet slecht voor een mujahedeen-post, ook al zijn de vloertegels eruit gelicht en is alles overdekt met een waas van stof. Mamur regelt een Hezb met geweer. De jonge man krijgt een briefje van de commandant dat hij bij de volgende post moet laten zien; onze vrijbrief.

Een kilometer of vijf verderop zitten wat bebaarde oude mannen achter machinegeweren in de schaduw van een grote moerbeiboom. Vanuit een rieten tent komen twee jongere mujahedeen tevoorschijn. De bodyguard draagt zijn taak over. Bij weer een volgende post zorgt de vrijbrief voor consternatie. Vanuit het dorp, een eind verderop, moet eerst iemand komen die kan lezen en dan wordt pas duidelijk dat we bescherming verlangen. Twee ongewapende mannen stappen naast de chauffeur in. Er zijn zoveel dieven langs de weg, leggen ze uit, en ze willen hun dure kalashnikovs niet kwijtraken.

Maar de weg is verlaten. Geen dieven, geen bandieten, geen Arabieren. Waarschijnlijk zijn het de dieven zelf die ons nu begeleiden. De Afghaanse code van gastvrijheid houdt in dat je een verzoek om hulp inwilligt.

De laatste estafette-bodyguards hebben er duidelijk zin in. Ze rijden helemaal mee naar Kunduz waar ze anders nooit komen. Voor hen is het een uitje. Langs de weg loopt een vrouw, een enorme takkenbos op haar hoofd dragend. Wanneer een auto langskomt, gaat ze snel gehurkt, met haar rug naar de weg zitten wachten tot de wagen voorbij is. Als ze weer opstaat en vijf meter verder is gekomen, herhaalt de scene zich met de volgende langrijdende auto. Twee nog ongesluierde dochters wachten tot hun moeder weer opstaat, hun blik op het niets gericht.

Bij Kunduz is een kamp met zo'n 35.000 Tadzjiekse vluchtelingen die de Amu Daryarivier zijn overgestoken. In hun spijkerbroeken en T-shirts vallen ze meteen op tussen de Afghaanse mannen in shalwar kamiz en de van top tot teen in burqa verstopte vrouwen. De Tadzjiekse regering beschuldigt Afghanistan ervan de islamitische rebellen te trainen en Arabieren van allerlei signatuur zouden hun moslim-broeders bijstaan in hun voorbereiding van de jihad. Maar niemand heeft nog een trainingskamp gezien en de volstrekte chaos waarin de mujahedeen werken, maakt het onwaarschijnlijk dat ze in staat zijn anderen te trainen.

In Taloqan worden de vluchtelingen opgevangen in een kapotgeschoten textielfabriek. Vierhonderd families leven er in tenten en in wat nog overeind staat van de fabriek. Geld van de VN of buitenlandse hulpverlening is er niet, zegt de Tadzjiek Sadruddin Sadar die het kamp beheert. Het voedsel wordt gebracht door de lokale bevolking. Er zijn typhus- en malaria-patiënten die onder het tentdak in de hitte liggen te rillen. Het kamp ziet er verder redelijk uit. Het is schoon en netjes, de aardappelen, tomaten en kikkererwten liggen in ordentelijke bergjes bij elkaar. Er is water en schaduw.

Vanaf Taloqan hebben we een jeep met vierwielaandrijving nodig om dichter bij de grens te komen. De regeringsfunctionaris Aminullah komt mee om te onderzoeken wat er nou waar is van alle verhalen over de beschietingen. Na vijf minuten houdt het asfalt op. De oude taaie Haji die achter het stuur zit, rijdt twaalf uur lang met zijn gammele Russische jeep naar Cha-Ab. Een gedeelte van de reis gaat over een open vlakte, tegen de Russische grens aan. Jennings vermoedt een Tadzjiekse militaire post en wil Haji er zo onaangekondigd op af laten rijden. Haji weigert.

Laat in de middag komen we aan. De helft van de rit voerde dwars door een drooggevallen rivierbedding. Achter de steile wanden van de rivierloop doken soms dorpjes op. Over een hellepad zijn we naar de overtreffende trap van wereldvreemd gereden. Alle vrouwen hier lopen totaal bedekt in burqa's. De jongetjes die de geiten hoeden hebben gerimpelde oude kopjes. Zweren op hun gezicht verraden het vitaminegebrek. Dit gebied is arm. Uitgedroogd en hard.

Met een paar jongens van de post kunnen we mee op patrouille naar de grens. Commandant Bashir heeft gezegd dat tien tot twaalf dorpen door de Tadzjieken zijn beschoten en dat de bevolking het binnenland in is gevlucht. De mujahedeen zullen ons begeleiden. De tocht gaat gedeeltelijk per jeep door een zijtak van de Amu Daryarivier. We zijn nu vlak bij de grens. Plotseling remt de jeep en springt regeringsfunctionaris Aminullah met een doorgeladen kalashnikov naar buiten. Er klinken schoten en dan gelach van de muj die meerijdt. Twee grijs-bruine kwartels fladderen verschrikt weg. Aminullah wilde ze voor zijn avondeten verschalken, maar als hij ze met zijn kalashnikov had geraakt, was er niets overgebleven.

Anderhalf uur verder staat een militaire truck ons op te wachten. Iedereen zwijgt. Af en toe hebben we zicht op Tadzjieks grondgebied, en zij zien ons. Rookpluimen stijgen op aan de overkant van de rivier. Volgens de Afganen zijn niet alleen hùn dorpen, maar ook die van de Tadzjieken zelf beschoten en is de oogst platgebrand.

In de schemer leggen we het laatste gedeelte van de tocht naar de grens lopend af. Drie uur bergland voor de afdaling naar de oevers van de Amu Darya begint. De mujahedeen lopen in hoog tempo over de rotsen. Een zware volle maan komt op en tekent ons scherp af tegen de witte keien waar we overheen klauteren. De muj met wie ik loop wijst op diepere sleuven en grote rotsblokken. Als er geschoten wordt, legt hij uit, heb je een paar seconden. Eerst vuren ze lichtkogels af. Als je die ziet, laat je jezelf vallen en rolt naar de greppel of je zoekt dekking achter de grote stenen.

Als we uitrusten in een verlaten dorp horen we premier Hekmatyar via de Worldservice van de BBC klagen over Tadzjiekse aanvallen op Afghanistan, maar vanavond is het stil. Het dorp aan de rivier waar we tegen middernacht aankomen is vrijwel verlaten. Een paar honden struinen door de straten op zoek naar iets eetbaars. Vijf van de huizen in het plaatsje zijn kapotgeschoten. We slapen die nacht buiten op een binnenplaats. Er wordt een keer geschoten; een lichtkogel die een paar seconden het donker oplicht. Verder is er niets dan het gejank van de honden. De waarheid is moeilijk te achterhalen in Afghanistan.

Een paar dagen later krijgen we een lift terug naar Kabul. De Nederlandse chirurg Harry Jeene, die aan het ontmijningsteam van Halotrust is toegevoegd, rijdt plankgas de weg af in zijn oude Russische ambulance. Vriendelijk zwaaiend passeert hij alle checkpoints - "Hello my friend!' - en rijdt gewoon verder. Een woest uitziende muj vindt dat hij toch echt moet stoppen en schiet op de wagen. Hij mist. Jeene zegt vrolijk dat hij maar eens met de lokale commandant moet praten. De schietgrage mujahedeen zal dan "gedisciplineerd' worden. Als hij geluk heeft, wordt ie in elkaar geslagen, als hij pech heeft geexecuteerd.

We komen langs het mijnenveld waar grote borden met simpele, heldere tekeningen duidelijk maken dat het er gevaaarlijk is. Maar op het moment dat de ontmijners tegen de avond vertrekken, hollen kinderen het veld op om er te spelen. De mujahedeen die het veld overdag bewaken zijn nog geen vijftien. Ze spelen tikkertje met een kalashnikov op de rug.