De grijze muizen rukken op in het wielerpeloton

Pascal Richard winnaar van de Ronde van Lombardije, de laatste klassieker van het jaar. Niemand raakte er vorige week opgewonden van. Bij zo'n wedstrijd hoort een groot kampioen op het erepodium. Het invoeren van het puntensysteem om de Wereldbeker - vandaag vormt de Grand Prix des Nations daarvan de finale - heeft de wielerwereld op zijn kop gezet. Onbeduidende renners die winnen. De grijze muizen rukken op.

ROTTERDAM, 16 OKT. Roger de Vlaeminck, een wielerheld uit de zeventig jaren, is een groot bewonderaar van Johan Museeuw. Hij vindt dat Museeuw zich van een simpel crossertje heeft ontwikkeld tot een gerespecteerde wegrenner, die zich in de grootste wedstrijden met de besten kan meten. “Johan doet alles voor zijn beroep”, weet De Vlaeminck, “hij is een echt trainingsbeest. Heel eerzuchtig ook. Maar één ding begrijp ik niet. Dat hij zich thuis voelt in een ploeg als GB-MG. Met Cipollini, Ballerini en volgend seizoen Sörensen en Sciandri. Allemaal kopmannen. Museeuw moet daardoor geregeld genoegen nemen met een rol als helper, afstopper. Dat moet toch geheel tegen zijn aard zijn?”

Die bereidheid zichzelf desondanks op te offeren toont aan, meent De Vlaeminck, “dat het Museeuw toch aan persoonlijkheid ontbreekt”. Datzelfde ziet hij bij veel andere toprenners, die hij graag als grijze muizen omschrijft. “Het is er als het ware ingepompt: het individu moet wijken voor het belang van de ploeg, maar het heeft daar vrede mee. Het systeem - ook een onbeduidende knecht mag winnen - is naar mijn idee dodelijk voor deze sport. Ik vergelijk het graag met de Formule I van het autoracen: de supporters zijn pas gelukkig wanneer Prost en Senna na een wedstrijd met de champagne spuiten. Zo willen ook de wielerfans grote namen. Zoals vroeger, in mijn tijd. In Parijs-Roubaix ging het tussen Merckx, Moser en mij, basta. Merckx en ik bestreden elkaar tot op het bot, opgejut door de fans. Dat was niet normaal meer. Ik kon het echt niet in mijn hoofd halen me weg te steken ten gunste van een ploeggenoot. Dat wou ik ook niet. Per se wilde ik zèlf schitteren, zèlf de verantwoordelijkheid nemen.”

Dat laatste had volgens De Vlaeminck ook te maken met "liefde voor het vak'. “Ja, ik hield van het fietsen”, aldus de 46-jarige Belg, “en ik heb sterk de indruk dat lang niet iedereen van de huidige generatie een soortgelijk gevoel heeft. Neem Cipollini. Die klasbak kan alle Westeuropese klassiekers aan, op Luik-Bastenaken-Luik na. Zo iemand moet in het najaar toch Parijs-Brussel en Parijs-Tours rijden? Vergeet het maar, hij ligt al een maand stil. Dat is toch een aanwijzing dat hij zijn beroep niet graag uitoefent. Spijtig dat gebrek aan ambitie, maar dat tref ik bij zo velen van de tegenwoordige renners aan.”

De Vlaeminck weet als (scheidende) pr-man van GB-MG waarover hij spreekt. Hij is van oordeel dat het grote geld een nadelige invloed heeft op het karakter van de renner. “Ik heb tot mijn twintigste in een fabriek gewerkt”, legt hij uit, “ik wist dat ik daar uit moest. Dat gaf me mijn motivatie op de fiets. Het zou voor veel coureurs goed zijn als ze eens een tijdje tapijten moesten weven. Dan kregen ze de realiteit voor ogen. Zagen ze dat er nog iets anders is dan trainen en koersen. En ze zouden hun salaris eens moeten vergelijken met dat van een gewone werkman. De renners zijn verwend, maar pas op: dat ligt niet aan hen.” Weer neemt De Vlaeminck Cipollini als voorbeeld. “Mario vertrekt bij ons. Hij gaat naar een Italiaanse sponsor. Die legde hem een blanco papiertje voor. Of hij even wilde invullen wat hij wilde verdienen. Welk programma hij wenste te rijden. En op welk moment mijnheer het seizoen wilde afsluiten. Zo'n bedrijf is verkeerd bezig, zo schaad je de wielersport.”

Cipollini mag dan aan de gemakzuchtige kant zijn, er bevinden zich in het peloton nog wel degelijk “renners die waanzinnig serieus met hun vak bezig zijn”. Die woorden zijn van Maarten Ducrot. De ex-profrenner en psycholoog signaleert wel dat de huidige lichting een duidelijk andere benadering heeft dan die van pakweg tien jaar geleden. “LeMond, Hinault en hun tijdgenoten vlogen er als gekken in”, weet Ducrot nog uit eigen ervaring. “Bugno, Indurain en Rominger zijn een stuk evenwichtiger. Adembenemend, met name hoe Rominger zijn grenzen heeft verlegd. Die toppers halen het onderste uit zichzelf, in overleg met doktoren, trainers en andere begeleiders. Poespas op het podium hebben ze niet meer nodig. Ze schrikken ook niet van dat ereschavot, omdat ze tevoren begrepen dat ze daarop zouden plaats nemen. Akkoord, dat soort mensen krijgt wel een beetje machine-eigenschappen.”

Ducrot is wel “verbijsterd” te horen dat Bugno, Indurain en ook Chiappucci na afloop geen gedegen verhaal over hun belevenissen in een etappe kunnen vertellen. De toppers van voorheen waren volgens hem beter gebekt. Of ze ook kleurrijker waren? Ducrot: “Verslaggever Theo Koomen vertelde vanaf de motor allerlei mooie mythes. Maar met dat soort overdreven bakerpraatjes hoef je tegenwoordig niet meer aan te komen. De luisteraars en tv-kijkers laten zich niet meer bedotten. Ze zien alles zelf en weten precies hoe professioneel het er aan toe gaat.”

Heel vroeger was dat anders. In de jaren veertig en vijftig kon bijna niemand echt zien wat er gebeurde. De geïnteresseerden waren aangewezen op kranteberichten van journalisten die in de etappes nu en dan de kans hadden de renners van dichtbij te bekijken. “Ze konden dus verzinnen wat ze wilden”, zegt de socioloog Benjo Maso, de schrijver van het boek Het zweet der goden. “Over de grote Kübler”, weet hij, “deden de meest wilde verhalen de ronde. Die Zwitser zou zijn drinkkruik onderweg hebben leeggegooid om zichzelf te straffen voor zijn slechte rijden. Later zei Kübler daarover: "Zo was ik helemaal niet, dat heb ik nooit gedaan'. In die periode gingen de renners wel juist die dingen doen die over hen werden geschreven. Dat was een stukje pr, dat bracht geld op.”

De renners van nu, bevestigt Maso, kunnen in tegenstelling tot vroeger niet kleurrijker worden gemaakt dan ze zijn. “Alles wordt immers geregistreerd. Doet zich maar het kleinste incident voor dan is de camera er bij. Overdrijven kan niet meer.” Maso denkt wel dat er net na de oorlog meer opmerkelijker types waren dan momenteel. “Dat kwam dan met name omdat ze uit een compleet andere cultuur kwamen. Veelal boerenjongens zonder opleiding, uit piepkleine Franse dorpen, waar ze geen krant lazen en dus niets van de wereld en het nieuws wisten. Daar kon men natuurlijk schilderachtige verhalen over schrijven.” De een krijgt meer aandacht dan de ander, dat was ook vroeger al zo en niet alleen omdat hij beter fietste. Maso: “Wie het beste praatje had, kwam ook toen al het meest in beeld. De grote Magne sprak een onverstaanbaar accent en zei bovendien niet zo veel. Die werd dus De Zwijger genoemd. Goasmat, een goede klimmer maar een slechte daler, kwam eind jaren veertig tijdens de Tour altijd op de radio en in de krant. Niet omdat hij een superman was, maar wegens zijn prachtige verhalen.”

Zo was het en zo is het daarna ook gebleven. Denk maar aan Jan Janssen, later Hennie Kuiper, Gerrie Knetemann en nog recenter Teun van Vliet. Aan de tijd dat de kampioenen nog wonnen, de helpers nog hielpen en de grijze muizen nog in de minderheid waren.