DE BEAUFORT

Er is inderdaad “geen reden vreemd op te kijken van De Beauforts anstisemitisme”, zoals de slotzin luidt van J.L. Heldrings column "Antisemitisme toen en nu' (NRC Handelsblad, 28 september).

Want antisemitisme was omstreeks de eeuwwisseling, anders dan nu, na Auschwitz, in brede kringen zó gewoon dat het verschijnsel niet werd onderkend zolang het geen extreme gedaante aannam. Heldring zegt: het begrip werd toen "veel nauwer uitgelegd'.

Heldring geeft na enige aarzeling toe dat er in De Beauforts dagboekaantekeningen iets antisemitisch zou kunnen schuilen. Aanvankelijk neemt hij hem in bescherming tegen Rob Hartmans die antisemitisme bespeurt in de uitspraak van De Beaufort, dat het een bewijs zou zijn van "de eigenaardigheid der christelijke staatkunde van Kuyper dat een Israeliet zijne vertrouwde mededeelingen ontving omtrent de vorming van een christelijk kabinet'. Hartman ziet scherper dan Heldring, want de "eigenaardigheid' van Kuypers staatkunde blijkt in de visie van De Beaufort niet uit de vermeende capaciteiten van Kuypers vertrouweling, maar puur uit het feit dat deze "Israeliet' is.

Als Heldring uiteindelijk erkent dat De Beaufort "objectief gesproken' wellicht niet geheel vrij was van enig "sociaal antisemitisme', wat bedoelt hij dan met dit begrip? Heldring omschreef het in het begin van zijn stukje als het uitsluiten van joden van "bepaalde sociëteiten, clubs en sportverenigingen'. Maar nu voegt hij daaraan toe dat dit "sociale antisemitisme' ook onder joden onderling voorkwam. Hij noemt de aversie van gevestigde Duitse en Oostenrijkse joden tegenover de joodse immigranten uit Oost-Europa.

Heldring probeert hier twee verschillende soorten van "uitsluiting' tot één verschijnsel te versmelten. In het eerste geval gaat het om het weren van - vaak welgestelde en zeer "beschaafde' - joden door niet-joden, omdat ze joden zijn, terwijl het tweede geval het afgrenzen betreft van een groep vanwege zijn lage sociale en culturele niveau. We hebben hier niet te maken met twee gevallen van "sociaal antisemitisme', maar met "antisemitisme' tout court in het ene geval, en met "sociale discriminatie' in het andere.

Het begripsmatige gedrocht "sociaal antisemitisme' stelt Heldrings conclusie plotseling in een merkwaardig licht. Er was dus niets "vreemds' aan het antisemitisme van De Beaufort, want "het' kwam voor bij de joden zelf? Dat moet een geruststellende gedachte zijn.