Dansstukken van Tuerlings en Simons nog steeds verrassend

Holland Dance Festival. Gezelschappen: 1. Tere O'Connor Dance met Psycho-sweet civilization en You baby goes to tender town. Choreografie, muziek: Tere O'Connor. 2. De Rotterdamse Dans Groep met Om los te lopen en Wasteland/Valse triste. Choreografie Hans Tuerlings. Tally en Commonplace quintet. Choreografie: Ton Simons. Gezien: 15/10 Den Haag Theater aan het Spui. Aldaar: 2. 16/10, en t/m nov. elders

Theater aan het Spui in Den Haag brengt in beide zalen voorstellingen van het Holland Dance Festival. Zo kan men er twee, soms zelfs drie produkties achter elkaar zien. Koren op de molen van festivalgangers. Eerst zag ik er het Amerikaans gezelschap Tere O'Connor Dance, vervolgens De Rotterdamse Dansgroep. Onze landgenoten winnen echter op alle fronten.

Het werk van de choreograaf Tere O'Connor roept bij mij dezelfde reactie op als het zien van Boudewijn Büch op de televisie. Ik weet dat het onderwerp best interessant is, de geïnterviewde en de vragensteller wel aardig, maar toch wil ik de kamer uit. Voor die onbeholpen jongesachtige presentatie ben ik allergisch.

O'Connor maakte Psycho-sweet civilization vorig jaar als gastchoreografie voor acht dansers van De Rotterdamse Dansgroep. Zijn eigen gezelschap brengt nu een bewerking voor vier personen. De oorspronkelijke, heldere struktuur wordt daarmee geweld gedaan. De ruimtelijke patronen vallen nu minder op dan het bizarre bewegingsidioom.

De danstaal van O'Connor bestaat uit een combinatie van stijlen. Hij gebruikt verwrongen klassieke bewegingsfrasen naast materiaal dat is ontleend aan de Oosterse, Afrikaanse en folkloristische dans. Die vermenging van verfijning en ruwheid heeft hij gemeen met Andrew deGroats choreografieën.

In het eerste werk lijken de dansers op stripfiguren door de onooglijke plooirokjes. Maar nog smakelozer zijn de huisvlijt hesjes in You baby goes to tender town. In dit dansstuk staat het theatrale gebaar centraal. Het is alsof O'Connor Johannes Jelgerhuis' Theoretische lessen over de gesticulatie en mimiek, een boek uit 1827, raadpleegde.

Het ballet -uitgevoerd door Nancy Coenen, Sarah Perron, Chrysa Parkinson, Chad Courtney, Jack Gallagher en O'Connor zelf- is daarbij ook nog doortrokken van kinderlijke, erotische fantasieën. Er wordt langs tepels gestreken, verwezen naar orale sex tongkussen worden gewisseld. Met als enige geslaagde bewegingsgrap twee vrijende middelvingers.

O'Conner stelde voor beide werken een muziekband samen waarin de fragmenten van Stan Getz, Francis Poulenc of Bob Prince voorbij zappen als de symbolen van een fruitautomaat.

In het kader van "Dertig jaar moderne dans in Nederland' brengt De Rotterdamse Dansgroep reprises van Hans Tuerlings en Ton Simons. Beide choreografen konden zich vanaf 1975 ontwikkelen dankzij de stroom opdrachten van Werkcentrum Dans, de voorganger van het huidige Rotterdamse gezelschap. Hun dansstukken zijn nog zo fris als een hoentje.

In Om los te lopen past Tuerlings reeds zijn allengs vertrouwde bewegingsidioom toe: verrassend, humoristisch en intelligent. Zijn aandeel in Wasteland -een co-produktie van Franz Marijnens Ro-theater en Werkcentrum Dans over de invloed van wetenschap en technologie op het menselijk bestaan- werd destijds niet juichend ontvangen, met uitzondering van een stijlvolle dans voor twee paren op de beroemde compositie Vals triste van Jean Sibelius. Een goede reden om dit deel te herhalen. De door David Palffy op de band gesproken gereconstrueerde tekst is waarschijnlijk afkomstig uit Where the wasteland ends van de Amerikaanse cultuurfilosoof Theodore Roszak.

Van Ton Simons zijn Commonplace quintet en Tally weer opgehaald. Beide werken zijn kenmerkend voor de eigen bewegingsstijl van de maker. Diens idioom is geënt op de academische dans en is beïnvloed door de puntige stijl van Merce Cunningham. De huidige dansers van De Rotterdamse Dansgroep -met als uitblinkers de oud-NDT dansers Joke Zijlstra en Philip Taylor- zijn er tegenwoordig vertrouwd mee. Dat is wèl een verschil met vroeger.