Commissarissen THB kopen vervolging af

AMSTERDAM, 15 OKT. Twee van de vier voormalige commissarissen van de Tilburgsche Hypotheekbank (THB) die persoonlijk verantwoordelijk zijn gesteld voor het faillissement van de bank hebben door middel van een schikking verdere rechtsvervolging afgekocht.

De commissarissen mr. H. van den Heuvel en oud-Akzo-bestuurder dr. H.J. Kruisinga hebben dit gisteren bevestigd. Hoeveel geld met de schikkingen is gemoeid willen zij niet zeggen. Ook de curator van THB, mr. H. Gerritse, wil geen bedragen noemen. Volgens Gerritse betreft het koersgevoelige informatie, aangezien er op de Amsterdamse effectenbeurs nog steeds waardebewijzen THB worden verhandeld. Insiders menen dat de commissarissen bij elkaar enkele miljoenen guldens hebben moeten betalen. Zij waren niet tegen aansprakelijkheidsclaims verzekerd.

De Tilburgse Hypotheekbank ging in augustus 1983 failliet met een totale schuldenlast van 80 miljoen gulden. De bank verstrekte op grote schaal hypotheken zonder dat daar voldoende onderpand tegenover stond. De rechtbank sprak van “onverantwoorde overfinanciering”. Ook werden prijzen van onroerend-goed onverantwoord opgedreven. Volgens de curatoren is een groot deel van het geld naar het buitenland verdwenen.

Van den Heuvel en Kruisinga werden samen met drs. J.A.H. Delsing en H.M. Smith medeverantwoordelijk geacht voor de ondergang van de bank. Delsing, tot mei 1982 president-commissaris bij de bank, heeft nog geen schikking getroffen. Smith is inmiddels overleden.

Grove schuld of nalatigheid van de commissarissen stond volgens een vonnis van de rechtbank in Breda in 1990 aan de basis van het faillissement van de bank in 1983. Ondanks een dringend verzoek van De Nederlandsche Bank hadden de commissarissen verzuimd een tweede directeur aan te stellen. Ook werden kredietlimieten overschreden. De veroordeling in 1990 wekte in vennootschapsland nogal wat beroering: niet eerder was een commissaris op dit niveau tot persoonlijke aansprakelijkheid veroordeeld. Delsing en Van den Heuvel gingen in beroep bij het gerechtshof in Den Bosch, maar die zaak werd op 10 november 1992 geroyeerd.