BLOEDIGE NASLEEP VAN EEN SCHIPBREUK

De schipbreuk van de Batavia, 1629 ingeleid door V.D. Roeper 253 blz., geïll., Walburg Pers 1993, Werken Linschoten-Vereeniging, deel XCII 1993, f 49,50 ISBN 90 6011 831 6

Een zeereis naar Azië was tijdens de eerste decennia van de zeventiende eeuw een hachelijke onderneming. Het handelsnetwerk van de in 1602 opgerichte Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) was nog weinig vertakt; een vast verversingsstation op Kaap de Goede Hoop, halverwege de heenreis, kwam er pas in 1652. Niettemin had de lokroep "fortuin gaan maken in de Oost' een magische klank. Eén van de Oostindiëvaarders die in deze periode koers zetten naar het gebied van de ongekende mogelijkheden, was de Batavia.

Het nieuwe VOC-retourschip vertrok op 28 oktober 1628 van de rede van Texel met bestemming Batavia, maar het zou daar nooit aankomen. Na een tocht van ruim zeven maanden liep het schip op 4 juni 1629 bij hoog water vast op een rif van de eilandengroep Houtmans Abrolhos, voor de westkust van Australië, en verging. De schipbreuk kostte enige tientallen van de 323 opvarenden het leven. De reis zou in de vergetelheid zijn geraakt, als na de schipbreuk niet een aantal bemanningsleden een ware slachting onder de overige overlevenden had aangericht. Hun moordpartijen bleven niet onopgemerkt.

De nasleep van de scheepsramp was zo huiveringwekkend dat al betrekkelijk snel beschrijvingen van de gruwelijkheden in druk verschenen. De ontdekking van het wrak in 1963 bij Morning Reef op de Wallabi-eilanden, een onderdeel van de Abrolhos, en vooral het nabouwen van de Batavia vanaf 1985 in Lelystad, hernieuwden de belangstelling voor de tragedie.

De afgelopen jaren zijn er diverse publikaties over de reis van de Batavia verschenen. Deze publikaties zijn, net als de zeventiende-eeuwse "bestsellers', gebaseerd op het onder de benaming "Pelsaert-journaal' bekendgeworden verslag van de schipbreuk. Dit in het Algemeen Rijksarchief te Den Haag berustende manuscript is nu als deel XCII van de serie Werken van de Linschoten-Vereeniging uitgegeven, gecompleteerd met een informatieve inleiding van de neerlandica V.D. Roeper. Dat het Pelsaert-journaal nooit eerder integraal in druk is verschenen hangt waarschijnlijk samen met de complexe compositie van het verslag, waarin dagaantekeningen, verhoren, sententies en resoluties elkaar afwisselen. Ondanks deze gecompliceerde structuur laat het Pelsaert-journaal zich goed lezen. De zeer verzorgde uitgave draagt hiertoe bij.

PIRATERIJ

De schrijver van het manuscript, commandeur Francisco Pelsaert, was opperkoopman bij de VOC en de hoogste autoriteit aan boord van de Batavia. Met de nogal onbehouwen optredende schipper Adriaen Jacobsz leefde hij al spoedig op gespannen voet. Jacobsz werd gesteund door de derde in de hiërarchie aan boord, de onderkoopman Jeronimus Cornelisz. Deze twee mannen beraamden plannen om zich van Pelsaert te ontdoen en het schip over te nemen om vervolgens piraterij te gaan bedrijven. Zij wisten een aantal bemanningsleden voor zich te winnen, maar de schipbreuk voorkwam de op handen zijnde muiterij.

Van de opvarenden wisten de meesten zich in veiligheid te brengen op een paar naburige eilandjes. Zij hielden zich in leven met proviand en drinkwater dat zij uit het wrak hadden weten te bergen. Pelsaert en 47 andere overlevenden, onder wie schipper Jacobsz, verlieten de plek des onheils, op zoek naar een zoetwaterbron om de voorraad aan te vullen. Wind en stromingen deed hun boot zo ver afdrijven, dat Pelsaert besloot door te varen naar Batavia. Hier werd op last van gouverneur-generaal Jan Pietersz Coen het jacht Sardam in gereedheid gebracht om mogelijke overlevenden te redden en de lading te bergen.

De achterblijvers op de Houtmans Abrolhos waren op dat moment hun leven niet zeker. Onderkoopman Jeronimus Cornelisz had samen met een aantal handlangers een waar schrikbewind ingesteld. Om de kans op overleving te vergroten (Cornelisz hing een berechting voor het beramen van muiterij boven het hoofd), wilde hij het eerste schip dat langskwam overmeesteren. Cornelisz en zijn trawanten besloten de schipbreukelingen op veertig na te doden en richtten een slachting aan onder de overlevenden. Degenen die aan de massamoord wisten te ontkomen, verschansten zich op een van de eilanden en slaagden er ten slotte in Cornelisz gevangen te nemen. Op 17 september 1629 ontwaarden zij de Sardam.

Pelsaert had de plaats van de schipbreuk pas na lang zoeken teruggevonden. Hij stelde orde op zaken, formeerde een scheepsraad en ging onmiddellijk over tot de berechting van Cornelisz en zijn volgelingen. Uit de verhoren bleek dat 125 mensen in koelen bloede waren omgebracht. Cornelisz en zijn belangrijkste handlangers kregen de doodstraf en werden ter plekke opgehangen. De overige gearresteerden ontvingen lichtere straffen. Een aantal van hen zou later in Batavia door de Raad van Justitie alsnog ter dood veroordeeld worden.

Het aardige van de bronnenuitgave van Roeper is dat naast het zogenoemde Pelsaert-journaal een tiental bijlagen is opgenomen met interessante, aanvullende gegevens over de desastreuze reis van de Batavia, waaronder enkele brieven van overlevenden. Mede daardoor geeft deze bronnenpublikatie het meest complete overzicht van de schipbreuk van de Batavia en de daarop volgende berechtingen.