BEZETEN VAN HELLAS

Naar 't heerlijk Griekenland, Verbeelding! voer mij heen. Reizen naar Griekenland (1488-1843) door Daniël Koster 157 blz., geïll., Styx 1993, f 37,50 (na 29 oktober f 45,-) ISBN 90 72371 77 1

De lokroep van de Levant heeft soms vreemde vogels aangetrokken. Wat te denken van de zeventiende-eeuwse classicus Isaac Casaubon wiens obsessie met het antieke Griekenland ten slotte fatale gevolgen had. Tijdens het bewerken van Strabo's beschrijving van de Helleense wereld gunde hij zichzelf geen tijd om naar de wc te gaan, zodat hij een akelige dood stierf door verstopping van zijn darmen en ontploffing van zijn blaas. Of wat te denken van de curieuze Engelse collectioneur en dagboekschrijver John Evelyn uit dezelfde tijd, wiens passie voor Griekse zuilen mede stoelde op zijn overtuiging dat ze de ideale rollers voor zijn gazon zouden zijn.

Casaubon en Evelyn mogen nu vergeten zijn, hun interesse voor het verre en destijds bijna onbereikbare Griekenland markeerde het begin van een traditie met verstrekkende gevolgen. Sedert de Renaissance hadden geleerden, kunstenaars en reizigers voornamelijk de ogen gericht gehad op Rome als hoogtepunt van de klassieke oudheid, maar na de zeventiende eeuw veranderde dat. Europa was op zoek naar echtheid, natuurlijkheid en eenvoud, en de "decadente' Romeinen voldeden steeds minder als rolmodel. Hellas werd in de salons van Parijs, de gentlemen's clubs in Londen, en de universiteiten van Duitsland bijna gelijktijdig uitgeroepen tot de bron waaraan ieder beschaafd mens zich laven moest. De Ilias en Odyssee verschenen overal met veel succes in vertaling, de "Homerische mode' kreeg architectuur en kleding in haar greep, en Joachim Winckelmann gaf (op basis van Romeinse kopieën overigens) een gepassioneerde interpretatie van de Griekse kunst die tot in onze tijd zou naklinken. Het was, kortom, tijd voor iedereen die vertrok voor een "Grand Tour' om met eigen ogen de wonderen van Hellas te gaan aanschouwen.

UITHOEK

Reizigers naar Griekenland waren er voor de achttiende eeuw al wel geweest. Vaak ging het dan om pelgrims die op weg waren naar het Heilige Land, of naar Constantinopel, en min of meer en passent de armoedige uithoek van het Ottomaanse Rijk verkenden. Ook waren de jagers op oudheden al vroeg actief en zelfs doorkruisten enkele speurders naar het legendarische Troje het Egeïsch gebied. De eerste wetenschappelijke expeditie naar Griekenland werd tussen 1674 en 1676 ondernomen door de armlastige en ziekelijke jonge Franse arts Jacques Spon en de Engelse banneling (en latere geestelijke en Sir) George Wheler. Het is veelbetekenend dat zij beiden in hun latere publikaties over hun expeditie expliciet spraken over "Griekenland' als de streek die zij bereisden, want eerder was die klassieke benaming voor het gebied maar zeer sporadisch gebruikt.

Over de geschiedenis van de Westerse reizigers naar Griekenland heeft de negenenveertigjarige Amsterdamse historicus Daniël Koster zowel een tentoonstelling in de hoofdstedelijke Universiteitsbibliotheek samengesteld als een begeleidend boek gepubliceerd. Naar 't heerlijk Griekenland wil behalve ruim geïllustreerde catalogus ook een zelfstandig leesbaar overzicht bieden van de herontdekking van Griekenland tussen 1488 en 1843. Dit verhaal is wel al een aantal malen verteld, zoals in Richard Stonemans Land of Lost Gods uit 1987 en F.M. Tsikagou's The Rediscovery of Greece uit 1981, maar Kosters aandacht voor Nederlandse Hellasvaarders geeft zijn boek toch een eigen accent. Bovendien is het een verhaal vol passie, misverstanden, schaamteloze roofzucht, ontberingen, gevechten, opofferingen en spectaculaire ontdekkingen, zodat men zich niet snel verveelt.

Griekenland was tijdens de in dit boek beschreven periode geen makkelijke of gastvrije bestemming. Oorlog tussen de Ottomanen en Venetië, dat vanouds veel Griekse eilanden in bezit had gehad (Kreta tot 1669), piraterij op zee, en banditisme op het vasteland waren maar een paar van de voortdurende bedreigingen. Dat reizen geen sinecure was, blijkt wel uit de belevenissen die William Lithgow omstreeks het midden van de zeventiende eeuw publiceerde in zijn Rare Adventures and Painefull Peregrinations. Hoewel deze barokke en hypochondrische Schot het ongeluk leek aan te trekken, geven zijn wederwaardigheden een goede staalkaart van het mogelijk ongerief: hij werd gevangen genomen door zeerovers, achtervolgd door het leger toen hij een van moord beschuldigde Hugenoot op Kreta hielp ontsnappen, had menigmaal nauwelijks te eten, vaak slechts de aarde als kussen en de sterrenhemel als deken, en vergiste zich tot overmaat van ramp met zijn oudheidkundige identificaties tussen Olympia en de berg Olympus.

Griekenland was bovendien arm en de Nederlander Jan van 's Gravenweert liet in 1841 zeker geen uitzonderlijk geluid horen toen hij beschreef hoe hij moest slapen ""in zeer slechte houten kribben, die van wandluizen wemelen ... in gestadige vuilheid ... en het onafgebroken gezelschap van een douzijn groote ratten''. Hoezeer ze ook neerkeken op de Grieken, hoezeer ze ook zonder terughoudendheid alle los- en vastzittende oudheden roofden, heroïsch waren de meeste reizigers zeker, een beetje gek vaak ook. Zoals de vijfde earl van Guilford, de onversneden filhelleen Frederick North, die in 1789 tot het orthodoxe geloof overging en probeerde op Korfoe de eerste Griekse universiteit te stichten. Om zijn bedoelingen kracht bij te zetten, schreed hij elke dag gehuld in een klassieke toga over straat, met in zijn kielzog de door hem benoemde professoren, struikelend over de gedrapeerde lakens waarin ze waren gehuld.

OUDE HELDEN

Wat het verzamelen der oudheden betreft, dient toch steeds weer beklemtoond dat dit niet alleen maar een betreurenswaardige zaak was. Voor de Ottomanen en veel Grieken hadden de antiquiteiten geen waarde en de verhalen zijn legio dat beelden, stèles en inscripties zonder onderscheid als bouwmaterialen werden gebruikt of werden stukgehakt op zoek naar edele metalen. Anderzijds wisten de Westerse reizigers vaak ook nauwelijks waarmee ze bezig waren. Toppunt was wel de Franse "oudheidkundige' Abbé Michel Fourmont, die halverwege de achttiende eeuw vele inscripties die hij in Sparta kopieerde nauwkeurig wegbeitelde opdat niemand anders dan hij met de eer van de ontdekking zou gaan strijken. Ook wachtte de oudheden, als ze eenmaal versleept waren naar de West-Europa, niet altijd een even opwekkend lot. Zo werd de fameuze verzameling van de exentrieke Thomas Howard, Earl of Arundel (1586-1646) na zijn dood zo verwaarloosd dat delen ervan eeuwen later opnieuw moesten worden opgegraven uit de puinhopen van Arundel House.

In Naar 't heerlijk Griekenland passeren naast de wat onbekendere Nederlanders vele oude helden uit de gemeenschap der Griekenland-reizigers de revue: de jonge architecten James Stuart en Nicholas Revett, die halverwege de achttiende eeuw met groot succes hun zeer gedetailleerde tekeningen van Atheense monumenten zoals het Parthenon publiceerden, Comte de Choiseul-Gouffier, wiens volumineuze en larmoyant geïllustreerde driedelige Voyage Pittoresque de la Grèce uit 1782 de opbloei van het romantisch filhellenisme aankondigde, de droge William Gell, die als een boekhouder alle afstanden van zijn onophoudelijke wandelingen notuleerde, en de artillerie-officier William Martin Leake, die als eerste de moeilijk toegankelijke binnenlanden van Griekenland bereisde en wiens uitvoerige verslagen daarvan tot op de dag van vandaag door historici geraadpleegd worden.

Zo biedt dit werk over de lokroep van de Levant veel aardige weetjes en is op de tentoonstelling in Amsterdam vrij wat interessants te zien. Het is alleen jammer dat Naar 't heerlijk Griekenland zo volstrekt zonder zorg is gemaakt: in het boek is geen enkele alinea te ontdekken, alleen witregels en (niet altijd even duidelijke) tussenkopjes behoeden de lezer voor de totale gekte, de tekst wemelt van de anakoloeten, kromme zinswendingen en herhalingen, talloze namen vallen willekeurig waarna soms pas pagina's verder opheldering volgt over wie de bedoelde personen nu eigenlijk zijn, en het betoog heeft de allergrootste moeite het stadium van de omgekeerde kaartenbak te ontstijgen. Het catalogus-deel is daarentegen wel zorgvuldig samengesteld.

De tentoonstelling "Naar 't heerlijk Griekenland. Verbeelding! voer mij heen. Reizen naar Griekenland (1488-1843)' is tot en met 29 oktober te zien in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam, Singel 425; openingstijden: maandag t/m vrijdag van 11.00 uur tot 16.00 uur; toegang gratis)