A.F.Th. van der Heijden (1951) debuteerde in 1978 ...

A.F.Th. van der Heijden (1951) debuteerde in 1978 onder het pseudoniem Patrizio Canaponi met de verhalenbundel "Een gondel in de Herengracht' waarvoor hij de Anton Wachterprijs ontving. Inmiddels heeft hij een omvangrijk oeuvre op zijn naam staan, waaronder de Triologie "De tandeloze tijd'. Ter gelegenheid van de Buchmesse reisde hij met verschillende collega's naar Frankfurt.

Woensdag 6 oktober

Het gaat erom wat we onszelf aandoen. Vroeg in de ochtend begin ik aan een uitstapje naar wat eigenlijk mijn nachtmerrie is: de onvrije regionen van het schrijverschap. De terreur der nevenactiviteiten. Het vernederende uitbaten - via lezingen, onderhandelingen over vertalingen, filmbesprekingen en overig gelul - wat al geschreven is, en eigenlijk voorgoed plaats zou moeten maken voor nieuw te schrijven werk. Voor me ligt een Duitse Maand, compleet met Buchmesse, Schwerpunkt, lezingen all over Nordrhein-Westfalen, en een verblijf van drie weken in Berlijn, alwaar ook lezingen en gastoptredens aan de Freie Universität, en meer nog.

Maar, het moet gezegd, nachtmerrie of niet: het uitstapje is comfortabel ingericht. Uitstekend georganiseerd, met alles d'r op en d'r aan, door Singel 262. Bovendien, Mirjam begeleidt me, en ik ben in het gezelschap van een aantal dierbare collega's. Alleen Joost Zwagerman, enkele weken geleden nog door de cartoonist Steen in Het Parool neergezet als verbeten buschauffeur op weg naar Frankfurt, ontbreekt. Hij moet een boek afmaken en een huis kopen, ja, dat is natuurlijk overmacht.

Omdat is uitgelekt dat ik het Hollands Dagboek over deze reis zal schrijven, gedraagt iedereen van AP, Querido, Nijgh & Van Ditmar zich in de bus - spijtig genoeg voor de verslaggever - pijnlijk decent en gedisciplineerd. Er komt bij wijze van spreken geen Pot Met Vet aan te pas. Giphart wordt geen moment Gifhart, en Holman is, uit angst voor een penneveeg, al helemaal thuisgebleven. Maar goed, niet te lang bij de busreis stil te hoeven staan, dat schiet lekker op richting Frankfurt.

We passeren op de Autobahn het onvermijdelijke krakend verse autowrak, een gehaktmolen die juist is leeggehaald. De stemming verandert niet. Het lunchbuffet onderweg blijft niet onaangeroerd. Rond half vier rijden we voor bij het hotel, zo'n zestig kilometer van Frankfurt. (Een hotel dichterbij was voor zoveel mensen in zo'n laat stadium niet meer te boeken.) Sommige eenlingen onder ons vinden een vierpersoonskamer op zich wachten; op elke kamer staat fruit van Singel 262 ter verwelkoming. Aan werkelijk alles is gedacht.

De busrit naar Frankfurt duurt een uur. Tussen zes en acht wordt er gedineerd. Al bij het voorgerecht hangt er een bazooka van een camera boven mijn tafel. Nova. ""Driehonderdvijfenvijftigduizend verschillende boeken hier in Frankfurt, meneer Van der Heijden... hoe denkt u daartussen wereldberoemd te worden?''

In die vraag ligt de hele zelfhoon, het hele culturele masochisme, van de Nederlander verborgen, maar ik wil niet meteen met soep gaan smijten. “Nou, het spijt me voor die 355.000 àndere boeken...”

De Alte Oper. Ebene Erhebungen. Ik mocht om de een of andere reden van mevrouw Sarkar niet in dat programma, en ik zie nu dat ik me niet gelukkiger had kunnen prijzen. We komen uit het land van "doe maar een half pond gemengd', en dat zullen ze in het buitenland wéten ook. Voor de feestelijke gelegenheid twee pond gemêleerd, en voor elk wat wils. Het ging maar door - stuk voor stuk geniale schrijvers en dichters, maar voor elk brein is er een grens aan het opnemen van beelden, metaforen, woorden, stemmen. Waarom daar niet Hella Haasse, W.F. Hermans, Harry Mulisch, Hugo Claus, Cees Nooteboom en Gerrit Kouwenaar neergezet, eventueel aangevuld met het orgelende stemgeluid van Jan Wolkers, en het daarbij gelaten? Daar hadden die Duitsers wat van kunnen opsteken. Nu sloeg het dood. Avond van de Ebene Erhebungen? Avond van de Houten Konten!

Het overgevarieerde programma liep zodanig uit dat het feest-na-afloop nauwelijks op gang was gekomen, of daar stond de bus van Singel 262 alweer voor de ingang te ronken. In de waan dat er nog heel wat te vieren viel, sprak ik met een paar mensen af later een taxi naar het 60 km verderop gelegen hotel te nemen. We hadden ons de moeite kunnen besparen. Het van meet af aan kwijnende feest in de kelder, met Caraïbische muziek, leefde nog precies drie kwartier. Voor de dorstige dansers, och arme, was er geen biertje te krijgen; bezijden de dansvloer was alleen een barretje met whisky en champagne - tegen nachtclubprijzen.

Donderdag

12.30 Bij de stand van Suhrkamp hernieuw ik de kennismaking met de bars-vriendelijke directeur Herr dr. dr. Unselt (die ik in Amsterdam eens, na het diner, meenam naar café Schiller, onder het halfvalse voorwendsel dat het hier om een Echt Literair Café ging. Het was er zo druk dat hij niet verder dan de hal wilde, zodat we onze fles witte wijn, in koeler, in de garderobe opdronken, staande aan de kleine balie als aan een huisbar). Hij wijst op zijn horloge en zegt, met zoveel overtuiging dat ik hem een moment geloof: “Om één uur weten we of het een Vlaming of een Nederlander wordt. Alleen dát is nog de vraag.”

Toen ik in de zomer van '90 op De Pauwhof in Wassenaar Advocaat van de hanen afmaakte, arriveerde daar op zekere dag een Noorse professor, die aan tafel - hij had een plaatsje tegenover me - beweerde lid van de Zweedse Academie te zijn, of te zijn geweest. “We hebben ook een keer serieus gesproken over een Nederlandse schrijver... hoe heet hij ook weer?” Hij moest er lang over nadenken. “Vestdijk?” “Nee, nee - Harry... Harry Mul... Mul...” En met een klap van zijn vlakke hand op de tafel, triomfantelijk: “Harry Multatuli!”

Ter genoegdoening van Harry Mulisch, Multatuli en de Nederlandse literatuur, zou ik hier eigenlijk uitvoerig moeten ingaan op de tafelgewoonten van deze onbehouwen Noor. Nooit in mijn leven heb ik iemand zo goor zien eten.

Vrijdag

Kom, we zijn hier niet alleen om te feesten; laat ik op de Messe mijn handjevol buitenlandse uitgevers eens gaan opzoeken. Dat moet in een middag te doen zijn, ondanks de geduchte afstanden. Van de Zweedse uitgeverij Forum, waar Het leven uit een dag is verschenen, zit al een vertegenwoordigster in de Queridostand. Dat treft. Voor haar ligt een exemplaar van Der Widerborst. Ook dat treft. “Ik wilde u er juist een komen brengen.”

In haar beste Engels zegt ze (althans zo versta ik het): “I just bought it” - wat op de Buchmesse alleen kan betekenen: de rechten gekocht.

“A very good decision”, zeg ik. “My congratulations.”

“No, no, I just got it!” (spr. u.: gought).

Gêne alom. Dat begint goed.

Dwars door de bezige bijenkorf slenter ik naar de Scandinavische afdeling, om de banden met mijn Finse uitgever Söderström aan te halen. 3.1 A 934... dat moet te vinden zijn. Tweebaans-uitgeversstraten, grote hallen, brede gangen, bruggen boven pleinen, roltrappen, ook horizontale, zoals in het Parijse metrostation Montparnasse-Bienvenue. En bovenal: met flapperende bovenkleding vliegende mensen. Het begint me op te vallen dat ik hier voortdurend met rouwrandjes onder mijn nagels loop, wat me anders zelden overkomt. Zouden het de meeglijdende roltrapleuningen zijn? De vele te openen tochtdeuren? Blijkbaar kleeft er iets goors aan die Messe, waardoor het voor een schrijver moeilijk is zijn handen schoon te houden.

Zo druk en lawaaiig als het op bij voorbeeld de Nederlandse en de Duitse afdelingen is, zo rustig en stil ligt Scandinavië (afd. 3.1) er bij. Eeuwig zingen de bossen - ja, dat geldt ook voor dit eenzame boekenwoud. Alles ruisende stilte. Het kost me op de stand van Söderström de grootste moeite een aanwezige dame duidelijk te maken dat haar uitgeverij in 1990 Het leven uit een dag in het Fins heeft laten verschijnen. Als ze de zaken weer op een rijtje heeft, blijkt ze pas echt in verlegenheid gebracht. Denkt ze dat ik verantwoording kom eisen voor de verkoop, ook voor Noord-Finland, van 213 exemplaren, niet meegerekend de 8 retourzendingen? Of vreest ze dat ik, als een wapen, nog zo'n boek onder mijn jasje meevoer, waarvoor ik haar door pure masculine intimidatie (het is stil in het woud) een contract zal laten tekenen? Deze vrouw heeft het moeilijk. Ik heb plotseling behoefte aan het dreunende gesmoes van de bijenkorf, en zij is zichtbaar opgelucht dat ik zonder geweldpleging, of zelfs maar een incassodreigement, vertrek.

In godsnaam, weg uit dit beklemmende, kille bos! Zon! Stemmenrumoer! Spanje! 4.2 D 96! Alex Broch van Ediciones 62 verzekert mij dat er hard aan de vertaling van Het leven uit een dag wordt gewerkt, maar dat men te elfder ure besloten heeft het boek niet in het Catalaans maar in het Castilliaans te laten verschijnen. Nooit geweten dat er ooit een Catalaanse versie op stapel heeft gestaan.

“Als de erotiek maar goed overkomt.”

“Anders halen we er gewoon de Vieze Woordenlijst van Cela bij. Daar staat alles in.”

Charmante man, Alex Broch. Maar waarom toch steeds die hardnekkige keuze voor H.l.u.e.d.? Het ziet ernaar uit dat ik me aardig in de nesten heb gewerkt met die almaar uitdijende cyclus. In eigen land - prima. Maar om de boel de grens over te dragen, is een kruiwagen nodig. Onhandige dingen, die boeken. Had ik dan toch naar mijn goede vriend Appie Baantjer moeten luisteren, die inmiddels meer boeken heeft gepubliceerd dan hij ooit lijken van de Wallen heeft geraapt? “Je weet niet wat je weggooit, man, met die dikke pillen. Hak ze in drieën, en je hebt drie keer publiciteit, en drie keer royalties. En makkelijker te vertalen.”

Morgen ga ik het eens heel anders aanpakken. Scandinavië kan de pot op.

Zaterdag

Op den duur werkt het verslavend. De luttele uren slaap. De wektelefoon. Het nasuizen van alle ijskoude Steinhägers (18 Mark in de pianobar, slechts 12 Mark in de lounge) van de Frankfurter Hof. Nee, nog niet onder de douche wordt levensangst voor levenslust verruild: daar zijn ook kleren voor nodig, een maagverzakkende tocht in de lift, het vrijwel symbolische ontbijt, de taxi die staat te wachten... Onbegrijpelijk, die dwingende zin erop los te gaan, en die een hypotheek neemt op je laatste reserves.

Zo sta ik om halftwaalf alweer aan de champagne (o edel ochtendmedicijn) ten huize van Siegfried Unselt. De gastheer laat ons bij binnenkomst trots het paginagrote stuk over hem in NRC Handelsblad zien. “Ich weiss nicht was alles drin steht, aber es sieht gut aus. - De weduwe Wesdiek is er ook, Mieke Wesdiek.”

Inderdaad een hoog Nederlandergehalte op de receptie. In een gifgeel mantelpakje komt de weduwe Feltrinelli (elektriciteitsmast; explosieven) op ons af gezeild. Zonder Ary Langbroek ook maar te hebben aangekeken, brengt zij haar kippige oogjes dicht bij het kaartje op zijn revers, mompelend: “Whose publisher are you? Mulisch? Nooteboom?” Ary legt plechtig zijn hand op mijn schouder. “Ik ben de trotse uitgever van...” Maar nog voor hij zijn zin heeft kunnen beëindigen, heb ik haar al met een handgebaar naar Ronald Dietz verwezen. Zo hoeft het voor mij niet, mevrouw.

Nee, dan Farrar, Strauss etc.! Unselt legt een zware hand in mijn nek en duwt me voor zich uit naar een man met zilveren manen; hij draagt een zijden shawltje, versierd met een gouden speld, in zijn open boord. “Roger”, bast Unselt vermanend, “you missed Nooteboom. You shouldn't miss Von der Hayden.”

Strauss vraagt hoe en wat. Ik zeg, omdat ik het dit keer eens groot wil aanpakken, dat op het totaalmanuscript van A Toothless Time als ondertitel staat "The Great American Novel Of The Netherlands' - ja, waarom zou dat langverwachte Amerikaanse Boek van het Violet en de Dood niet uit de Low Countries kunnen komen? Hij kijkt me met opgetrokken wenkbrauwen aan. “Okay”, zegt hij bars, “stuur me de Duitse vertalingen. Next time we'll talk it over, and we'll get drunk together.”

Hij draait zich om naar zijn gezelschap. Kijk, dat vind ik nu prettig zakendoen.

Redacteur Fellinger stelt me voor aan de mooie romancière Ulla Berkewicz, de jonge mevrouw Unselt, - maar dat is niet nodig, want ik heb al eens met haar en haar man aan tafel gezeten in Amsterdam. De uitgever had voorgesteld "zonder vrouwen' te dineren, "om het zakelijk te houden'; het kwam erop neer dat ik uiteindelijk tegenover deze schoonheid zat, de enige dame in een gezelschap dat verder nog bestond uit een collega en een redacteur. Toen ik begreep dat zij dezelfde Pools-joodse antecedenten bezat als Mirjam, wilde ik, zaken of geen zaken, de twee vrouwen per se aan elkaar voorstellen. Ik dirigeerde het hele gezelschap naar café Schiller, waar ik met Mirjam rond middernacht had afgesproken. Maar in plaats van Ulla's Nederlandse evenknie verscheen daar, asgrauw van bezorgdheid, Mirjams vader. Het was één van die momenten dat er, terwijl je stompzinnig blijft glimlachen, een ijskoud mes door je heen slaat. Iets gebeurd. Ongeluk. Het bleek slechts om een misverstand te gaan, maar de gearrangeerde ontmoeting viel in het water. Ulla probeerde in het jiddisch een gesprek met mijn schoonvader, maar door diens ontdaanheid vlotte het niet. Ja, ze weet het nog. Als ze door verplichtingen elders op de receptie wordt weggeroepen, legt ze heel kort - "Mach's gut' - haar wang tegen de mijne, - een gebaar dat subtiel afsteekt bij het drievoudige luchtzoenen dat in Amsterdam wordt beoefend. Ik voel aan haar wang dat ik me die ochtend niet geschoren heb.

Ik vind zowaar een half uur de tijd om me, in de Queridostand op de Messe, voor te bereiden op mijn lezing later die middag. Niet goed genoeg, zoals later zal blijken. Is het de straffe ochtendchampagne?

Al meer dan een halfjaar is er met klem op aangedrongen het voorlezen in het Duits te doen plaatsvinden, maar nu, een kwartier voor de aanang, wordt op het slonzige kantoor van de Stichting Frankfurter Buchmesse bijna spijtig gereageerd op mijn Duitse leesplannen. Ik heb de indruk dat ze de tolk-vertaalsters niet graag werkloos laten, en: “Het publiek blijkt overwegend Nederlands.” Ik volhard, evenals Nooteboom, die mij zal inleiden (of "lanceren', zoals het heette in Het Parool, een krant die geen enkel overstatement schuwt). Medewerksters genoeg, daar in de heksencentrale van de Stichting, maar niemand maakt aanstalten ons naar Saal Melodie te begeleiden, die toch al een half uur vol zit. Godnogaantoe, hebben ze daarvoor anderhalf jaar, met 5miljoen tot hun beschikking, een kantoor in het stadhuis bezet gehouden, om wat mevrouw Sarkar zelf tegenover mij had omschreven als een "eregebeurtenis op het Schwerpunkt' te laten ontaarden in een dergelijke vernederende situatie? Zij zit midden in haar hoofdkwartier (dat de indruk maakt midden in een verbouwing te verkeren, met daartoe geïmproviseerde kamerschermen weggeborgen zakken "geel-' en "groenband' aan haar tafeltje met iemand te kouten, en keurt ons geen blik waardig.

“Nou”, stelt Cees kribbig voor, “dan gaan we maar op eigen gelegenheid.”

Eenmaal gezeten voor het publiek, dat overwegend Duits zal blijken te zijn, zegt hij: “Wir sind Schriftsteller... maar we moeten het stellen zonder organisatie.”

Zal ik de schok van de lancering weten te doorstaan? Nooteboom memoreert onze kennismaking als gevolg van een poëziezending van mij aan Avenue-literair, in '78, en hoe hij mij adviseerde mijn Italiaanse pseudoniem voor tenminste de helft te vernederlandsen. Dat het een geestige en ontroerende toespraak wordt, komt ongetwijfeld doordat hij die nacht nog laat op de hotelkamer geschreven werd. Wat zijn onze dichters zonder de nacht?

Jammer genoeg vertelt mijn inleider niet hoe hij Patrizio Canaponi een jaar later in de Herenclub trachtte te introduceren. Nooteboom wilde zijn jonge vriend, toevallig op bezoek, namelijk verrassen, en belde naar Arti, waar de Heren ("wij noemen ons Deftig Links') al klaarzaten voor hun Dinsdagavond. Voorzitter Harry Mulisch werd aan de telefoon geroepen. “Is het goed als ik P.C. meebreng?” “Ach, Cees, zo'n jongen van 23, dat is toch niets voor ons.” (Ik was toen net 28 geworden, maar daar gaat het niet om.) Bij terugkeer in de Herenhoek van Arti, hoofdschuddend: “Vreemd, dat heb ik nu nog nooit meegemaakt: Cees die de hoorn op de haak smijt.”

Een verrukkelijk staaltje telefonische ballotage!

De beurt is aan mij. In het gekozen fragment uit Der Widerborst komt nogal vaak een opgevoerde Volkswagen voor; in plaats van "Vau Wee' lees ik consequent "Vee Wee', wat tot enig gegniffel in de - zoals gezegd overwegend met Duitsers gevulde - zaal leidt. Enfin, het is nog niet zo erg als het "boterverwekkend kankergeel' waar Bob den Uyl eens een (ver)spreker op betrapte.

    • A.F.TH. van der Heijden