Wolven

In Spanje zijn nog wolven. Er zijn zelfs ook nog beren, maar dat is weer een ander verhaal. Nu wil ik het over wolven hebben.

Vroeger waren er minder mensen, meer bossen, en veel meer wolven dan nu. Het zijn er nu nog maar heel weinig; ze leven ver van de dorpen in de bergen. Die overgebleven wolven zijn beschermd; het is strafbaar er een dood te schieten. Maar niemand wil graag op een donkere avond, ergens op een eenzame weg, een wolf tegenkomen. En daarom wordt er toch nog wel eens een geschoten.

Een paar jaar geleden heeft een groep natuuronderzoekers in de bergen een kamp opgeslagen. Ze zagen kans een aantal pasgeboren wolven uit hun hol te halen en namen die mee naar hun kamp. Ze zorgden goed voor ze, knuffelden ze aan een stuk door en hielden ze tegen hun blote lijf gedrukt. Toen het grote wolven waren geworden liepen ze als trouwe honden achter de mensen aan. "Deze wolven zullen geen mens ooit kwaad doen,' zeiden de natuuronderzoekers. Ze braken hun kamp op en gingen weg. De wolven lieten ze achter.

Toen ik dat op de televisie zag, moest ik weer aan een hete dag in de zomer denken. We waren toen op weg naar het strand. Onderweg stopten we bij een café om uit te rusten. Buiten onder het afdak in de schaduw, zat een stokoude man. We raakten met hem aan de praat, en toen vertelde hij ons dit:

“Als kind heb ik nog jonge wolven uit hun hol moeten halen,” zei hij. “Het was hier toen heel eenzaam, moet je denken. Deze weg was niet meer dan een karrespoor. Alles ging met paard en wagen. En er waren nog hele troepen wolven. Daar waren we bang voor, die beesten waren gevaarlijk.

Nou moet je weten dat een wolf een klein kind niks doet als het naakt is. Op een dag nam mijn vader mij mee naar een plek waar wolven hun holen hadden. Hij trok me al mijn kleren uit. Het was nog koud, zo vroeg in het voorjaar. En ik was bang. Maar hij zei: "Ze doen je niks. Vooruit, ga dan.' Hijzelf verstopte zich in de struiken. Ik denk dat ik toen drie jaar was, meer niet. Want een ouder kind is te groot, dat kan het hol niet meer in.

De wolven zaten buiten voor het hol, en ik liep er op af, in mijn blote bast. Ik weet het nog heel goed. Ze keken naar me en meer niet. Zo kroop ik dat donkere hol in, en voelde. Er waren drie jongen. Ik heb ze er alle drie uitgehaald en naar mijn vader toe gebracht. Die heeft ze, toen we vlakbij ons huis waren, een voor een aan een boom opgehangen. En zo waren er weer een paar minder.''

Terwijl we verdere reden, zag ik steeds dat blote jongetje voor me, dat tussen de wolven door liep en hun hol in kroop.

    • Els Pelgrom