Vertragingstactieken gemeenten aan banden

DEN HAAG, 15 OKT. Gemeenten kunnen vanaf 1 januari volgend jaar worden gedwongen om woonwagenkampen in hun gemeenten op te nemen of mee te werken aan de bouw van vuilstortplaatsen.

De Tweede Kamer is gisteren tijdens een debat over de aanpassing van de Wet ruimtelijke ordening akkoord gegaan met de Nimby-wet ("not in my backyard'). Als ook de Eerste Kamer met de wet instemt, kan minister Alders (VROM) een einde maken aan slepende beroepsprocedures waarmee gemeenten de uitvoering van een beslissing zolang mogelijk proberen uit te stellen. Vanaf volgend jaar moeten gemeenten binnen zes weken aangeven of ze bereid zijn om mee te werken aan de beslissing van de minister of Gedeputeerde Staten.

Naast de Nimby-wet treedt volgend jaar ook de Tracéwet in werking die gericht is op de snelle aanleg van infrastructuur. Alle procedures en beroepszaken lopen gelijk, waardoor bijvoorbeeld de aanleg van de Betuwelijn volgend jaar zou kunnen aanvangen. Met deze twee maatregelen hoopt het kabinet dat besluiten van “nationaal belang” niet langer door gemeenten worden getraineerd.

De Kamerleden vroegen de minister in welke gevallen hij de Nimby-wet denkt te gaan gebruiken. Fractievoorzitter Lankhorst (GroenLinks) vroeg zich af “wie of wat de minister met de nieuwe wet wil slaan”. “Als er een nationaal voetbalstadion moet komen, omdat Nederland de Europese Kampioenschappen voetbal wil organiseren en het stadion moet op een prachtplaats in een onwillige gemeente komen, is dit dan een zaak voor de Nimby-wet?”

De minister onderstreepte dat de nieuwe wet alleen in spoedeisende gevallen wordt gebruikt en dat de organisatie van een Europees Kampioenschap al jaren van te voren bekend is. Verder moet er sprake zijn van een “bestuurlijke impasse”, aldus Alders. “Pas als alle mogelijkheden zijn geprobeerd en de onderhandelingen zitten muurvast, kan er worden ingegrepen.”

Of er sprake is van een impasse, wordt van geval tot geval bekeken. Als de minister besluit de dwangmaatregel te hanteren, zal de Kamer binnen vier weken haar oordeel over de beslissing uitspreken.