Noodverordening zwaarder middel dan noodbevel

AMSTERDAM, 15 OKT. Enkele jaren geleden gelastte burgemeester Brokx van Tilburg bezoekende Ajax-supporters zich uitsluitend per charterbus van en naar het Willem II-stadion te begeven.

Bij een andere gelegenheid verordonneerde zijn Eindhovense ambtgenoot dat een stel bezoekers van de F-Side die zich zonder kaartje in de buurt van het PSV-stadion ophielden, ter voorkoming van wanordelijkheden, het einde van de wedstrijd moesten afwachten in de toegangsruimte van de kelder onder het hoofdbureau van politie.

Beide maatregelen waren gebaseerd op de bevoegdheid van de burgemeester om krachtens artikel 219 van de Gemeentewet een noodbevel uit te vaardigen bij (vrees voor) ernstige ongeregeldheden. Artikel 219 geldt alleen voor uitzonderlijke situaties. Maar sinds een jaar of tien kijkt niemand er meer van op als deze noodbevoegdheid wordt ingezet tegen voetbalvandalisme.

In Rotterdam greep de fungerend burgemeester woensdag ter gelegenheid van Nederland-Engeland naar het aanpalende artikel 220 van de Gemeentewet. Dat sprong er toch wel weer even uit. Loco-burgemeester Vermeulen kondigde een noodverordening af, een algemeen voorschrift. Dat gaat een stap verder dan gerichte bevelen. Het verschil tussen bevel en verordening zat hem hier vooral in de schaal. De Rotterdamse noodverordening gold voor de hele stad. Dat is overigens niet uitzonderlijk: in 1982 gebruikte de Amsterdamse burgemeester Polak eerst een noodbevel voor de ontruiming van het kraakpand Lucky Luyck en kondigde vervolgens een noodverordening van drie dagen af voor de hele stad.

De kern van de zaak is in beide gevallen dezelfde: de burgemeester mag afwijken van de gewone wet en zelfs grondwettelijke vrijheden beperken. Dat slaat met name op het verbod van “preventief arresteren”. Er hoeft dus niet te worden gewacht tot verdachte personen de orde daadwerkelijk verstoren. Overtreding van een verbod in de noodverordening de orde te bedreigen is voldoende. Net als in Amsterdam in 1982 verbood ook de Rotterdamse noodverordening expliciet de aanwezigheid van “voorwerpen of stoffen die kennelijk zijn bestemd of meegebracht om de openbare orde te verstoren”. Er staat ook straf op overtreding van een noodverordening, maar dat is uiteraard ter beoordeling aan de rechter.

Volgens een overzicht van de huidige Groningse hoogleraar bestuursrecht mr.L.J.A. Damen grepen burgemeesters vroeger weinig naar noodverordeningen. Hij noemde verordeningen tegen anti-oorlogspropaganda (!) in Heerenveen in 1938 en bij de watersnood in 1953 in Zierikzee. In de roerige jaren zestig is er opvallend weinig gebruik van gemaakt, maar daarna volgde een hele serie. Deze betrof het opruimen van bommen uit de Tweede Wereldoorlog in Maastricht en Rotterdam, de gifwijk in Lekkerkerk, en een messenverbod op de Amsterdamse Zeedijk. Ook werd dit middel ingezet bij de blokkade van de kerncentrale Dodewaard (1981) en de omstreden kap voor een autoweg door het bos van Amelisweerd bij Utrecht (1982). Bij het afsluiten van de Dam en omgeving plus bijbehorende pasjesregeling bij de inhuldiging van koningin Beatrix in 1980 beriep de gemeente zich op de Politiewet, terwijl het eigenlijk om een noodbevoegdheid ging. De president van de Amsterdamse rechtbank redde volgens Damen in kort geding de stad echter van een juridisch en bestuurlijk debâcle.

Een noodverordening dient op schrift te worden gesteld en ter kennis te worden gebracht van de Commissaris van de Koningin en de gemeenteraad. Als de raad hem niet zo spoedig mogelijk bekrachtigt, vervalt hij. Doorgaans zal de noodverordening intussen toch al zijn ingetrokken. Het zwaartepunt van het toezicht ligt dan ook bij de Commissaris van de Koningin. De raad kan slechts nakaarten. De burgemeester is voor vaststelling en uitvoering van de noodverordening overigens gewoon verantwoording schuldig aan de raad. Met name bij de Lucky Luyck zijn er wel veel klachten geweest over excessief politie-optreden, zogeheten insluitingsacties en geweld bij het transport van arrestanten. Maar daar is geen noodverordening voor nodig.

Tekst noodverordening

Verordening op grond van artikel 220 van de gemeentewet.

DE BURGEMEESTER VAN DE GEMEENTE ROTTERDAM;

Gehoord de bij hem, in het bijzonder zijdens de politie, ingekomen ambtsberichten inzake de ontwikkelingen in de confrontaties tussen - enerzijds - (groepen van) supporters van het Engelse elftal, dan wel supporters van het Nederlandse elftal onderling en - anderzijds - tussen (groepen van) deze supporters en de politie;

gelet op het escalerende karakter van deze confrontaties, zowel naar frequentie, als naar aard en omvang;

overwegende dat deze confrontaties inmiddels een dusdanig karakter hebben aangenomen dat niet langer alleen van ernstige vrees voor substantiële verstoring van de openbare orde moet worden gesproken, maar dat deze situatie op bepaalde (en wisselende) lokaties reeds daadwerkelijk is ingetreden;

overwegende voorts dat het ter handhaving van de openbare orde, dan wel ter beperking van gemeen gevaar noodzakelijk is algemene voorschriften uit te vaardigen en af te kondigen;

gelet op artikel 220 van de gemeentewet;

BESLUIT:

Vast te stellen de navolgende Verordening:

Artikel 1.

Het is verboden zich in Rotterdam op of aan de openbare weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen zodanig te gedragen dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zulks geschiedt met het oogmerk om de openbare orde of veiligheid te verstoren of te bedreigen.

Artikel 2.

Het is verboden om in Rotterdam op of aan de openbare weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, te dragen of te vervoeren die kennelijk zijn bestemd of meegebracht om de openbare orde of veiligheid te verstoren.

(......)

Artikel 7.

Overtreding van een of meer bepalingen van deze verordening is strafbaar op grond van artikel 443 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze verordening treedt in werking met onmiddellijke ingang na haar vaststelling en afkondiging.

Rotterdam, 13 oktober 1993, De Burgemeester voornoemd,

    • F. Kuitenbrouwer