Net- en trommelvlies

Een enkele keer, al meteen als ik met lezen ben begonnen, denk ik: die schrijver zou ik ook wel willen horen - aangenomen dat hij spreekt zoals hij schrijft. Bij de meesten die goed zijn is het gedrukte woord voldoende, maar er is een vorm van directheid, zo naaldscherp dat ik er niet genoeg van kan krijgen. Dat is het nadeel van het lekkerste: daar willen we meer van, ook voor andere zintuigen die dan in aanmerking komen. Na het netvlies hier dus het trommelvlies.

In dit geval bedoel ik de lexicograaf Adriaan Koerbagh (1632-1669) van wie onlangs door Ewoud Sanders een boekje is bezorgd, onder de titel Woorden van de duivel. Een bloemlezing uit het enige verboden Nederlandse woordenboek. In deze krant heeft Liesbeth Koenen er al een geestdriftige bespreking aan gewijd. (Boekenbijvoegsel, 25/9) Dit stukje is meer de bespreking van mijn geestdrift.

De directheid van Koerbagh, zoals die van Multatuli, Hein Donner, W.F. Hermans, Hugo Brandt Corstius en Wim T. Schippers is dat hij de begrippen en verschijnselen van zijn belangstelling onmiddellijk van de franje der vroomheid en de courante plichtplegingen ontdeed, en dan de overblijfselen in de kaalste zinnen wist te vangen. Kaal: zonder andere bedoelingen dan de scherpste definitie, zonder te mikken op een ander resultaat dan het treffen van de roos, zonder enig frutseltje dat dient tot het opsieren van de schrijver zelf. Zinnen zonder make-up. Daarom vind ik ook dat Koerbaghs Woordenboek ten onrechte wordt vergeleken met Ambrose Bierces The devil's dictionary waarin deze overigens door mij hooggeachte schrijver zich meer dan eens laat overmeesteren door het verlangen om ons zijn genadeloos cynisme in te peperen.

Zonder een paar voorbeelden kan het niet.

"Mirakel, wonderwerk, wonderdaad. De godgeleerden beweren dat een wonder iets is wat tegen of boven de natuur gebeurt, maar dat is onwaar, want niets kan tegen of boven de natuur gebeuren.'

"Libertijn, een vrijgeest; dat is een mens die op zichzelf leeft, zonder zich bij deze of gene godsdienst aan te sluiten; iemand die nu eens naar de ene kerkdienst gaat en dan weer naar de andere, of naar geen enkele.'

Sanders voegt hieraan toe: "Dit woord is geheel van toepassing op Koerbagh zelf'. Meer dan dat, veronderstel ik. Terwijl we zijn definitie lezen, volgen we zijn denken: soms naar de ene kerkdienst, dan de naar andere, - minieme pauze - of naar geen enkele. Koerbagh deed niet in uitroeptekens maar ik wil wedden dat er in zijn hersens in een flits één heeft gestaan toen hij die laatste vier woorden schreef. Een jaar of 330 later blijken de definitie en dat onzichtbare uitroepteken nog zo levend als toen. Dat is trouwens met de hele bloemlezing het geval.

Koerbagh schreef zoals verstandige mensen met schrijftalent zich dikwijls uitdrukken: ze brengen het vanzelfsprekende onder woorden maar soms kunnen ze daarbij niet verbergen dat ze paf staan over zoveel domheid die het vanzelfsprekende onzichtbaar maakt. Hij deed me denken aan de Engelse ingenieur W. Dircks die, in de vorige eeuw, dusdanig werd gehinderd door de cohorten uitvinders van het perpetuum mobile dat hij een boek in twee dikke delen heeft geschreven om voorgoed aan die onzin een eind te maken. Het heeft natuurlijk niet geholpen.

De mirakels die door Koerbagh en Dircks werden bestreden, planten zich voort als de konijnen, zij het dat ze voortdurend aan mutaties onderhevig zijn. "Charlatan, een kwakzalver, een rondtrekkende geneesheer of liever genees-zwetser, die met allerlei malle praatjes en snoeverijen het gewone volk op de markt zijn zalf aansmeert, waarmee hij zogenaamd allerlei kwalen genezen kan, maar dat pakt meestal slecht uit. Zulke landlopers beschouwen zichzelf graag als dokters, maar zij zijn net zomin dokters als rattestront peper is.'

Ik citeer deze definitie, opnieuw vanwege de blijvende waarde, maar ook omdat er zo goed uit blijkt dat deze lexicograaf een meester is in het trekken van een conclusie die aan ieder misverstand een eind maakt. We kunnen het mirakel en het perpetuum mobile wel van allerlei objectieve omschrijvingen voorzien, maar tenslotte gaat het erom dat, mikkend op de waan van de dag, het ons niet helpt als we er met een ballonnetje op schieten. Het moet een kogel zijn.

Koerbagh schoot met scherp, natuurlijk tegen een overmacht, en dat heeft hem dan ook het leven gekost. In dit mooie boekje staat het allemaal beschreven.

    • H.J.A. Hofland