Lezen en schrijven op 17de-eeuwse schilderijen; De sobere boodschap van het boek

Lezen is op Nederlandse schilderijen uit de zeventiende eeuw geen vrolijke bezigheid, blijkt op de mooie expositie Leselust in Frankfurt. Alleen op de doeken van Gerard ter Borch hebben de personages aangename aandacht voor hun lectuur.

Leselust. Niederländische Malerei von Rembrandt bis Vermeer. Schirn Kunsthalle, Frankfurt. T/m 1 jan. 1994. Ma 14-18u, di t/m vr 10-22u, za en zo 10-19u. Catalogus ƒ 65,60.

In de luwte van de Buchmesse in Frankfurt, en daar nauwelijks opgemerkt, was een schitterende tentoonstelling te zien, die naadloos aansloot bij het Schwerpunkt Nederland/Vlaanderen. Leselust luidt de titel en het onderwerp is de manier waarop lezen en schrijven als thema voorkomt op Nederlandse schilderijen uit de zeventiende eeuw. De voorbereidingen voor deze mooie, helder ingerichte expositie in de Schirn Kunsthalle zijn zo'n drie jaar geleden begonnen, lang voor er sprake was van enige extra aandacht voor Nederland op de Buchmesse. En jammer genoeg is de aansluiting met deze beurs gemist omdat het over Noord-Nederlandse en niet over Noord- en Zuidnederlandse kunst gaat.

De selectie uit vele musea, waaronder nu ook veel meer uit de voormalige DDR en andere oostbloklanden dan voorheen mogelijk was, roept een onvoorwaardelijke kijklust op. Toch is de titel Leselust iets te frivool voor de 87 schilderijen die hier hangen. Plezier in lezen is maar zelden een onderwerp. Hier is een fraaie verzameling schilderijen bijeengebracht waarop in verschillende functies een boek, een brief, een rekening, of een ander bedrukt of beschreven stuk papier voorkomt. Een zeventiende-eeuwer zou onmogelijk de samenhang tussen deze schilderijen hebben kunnen duiden. In het meest extreme geval ligt er een weggeworpen brief in de uithoek van een vertrek en op Samuel van Hoogstratens schilderij De pantoffels kost het enige moeite voor men in het voorgestelde interieur het betreffende papier heeft gevonden: een boekje, heel ver weg op een tafel. Geen lezer te bekennen, laat staan leeslust.

De eerste en ook de oudste schilderijen op deze tentoonstelling hebben alle een christelijke connotatie. Ze hebben de evangelisten tot onderwerp, de heilige Hieronymus of anonieme kluizenaars. Zij zijn verdiept in de Schrift of ze schrijven. Hun devotie is het onderwerp, maar genieten van het lezen of van het schrijven is er niet bij. Het tweede thema waarop papier voorkomt, het stilleven, is evenmin vrolijk stemmend. De ene keer zijn het sobere composities van een kaars, een schedel, een brief in een monochroom schijnsel. De andere keer is er een overvolle tafel gearrangeerd met aard- en hemelglobes, muziekinstrumenten, geldbuidels, sculptuur, zangbundels, brieven en een bijbel. Hier is het onderwerp de vergankelijkheid. De boodschap ligt er dik bovenop wanneer er nog een briefje deel uitmaakt van de compositie waar "Vanitas Vanitatis' op te lezen valt.

Moeizame arbeid

Dan is er op de tentoonstelling een sectie waar we geleerde types in de weer zien. Als seculiere afgeleiden van de heilige Hieronymus zitten ze in hun duister vertrek bij kaarslicht hun ogen te bederven. Omringd door boeken en globes turen ze in een foliant, ze versnijden bedachtzaam hun pen of ze kijken peinzend weg van de zojuist gelezen tekst. Ze verrichten moeizame geestelijke arbeid. Andere geleerden zijn meer empirisch van aard. In hun laboratorium, ingericht als een uitdragerij vol glazen kolven, destilleerapparaten en tractaten, zoeken ze naar de steen der wijzen, waarmee ze uit onedele metalen uiteindelijk goud kunnen maken. Van enkele geleerden hangt een portret. Dit zijn geen types, zoals deze alchemisten, maar echte personen, zoals Descartes en de Haarlemse historicus en theoloog Schrevelius door Frans Hals. Het boek dat ze in hun handen houden is een attribuut dat verwijst naar hun bezigheden als denker en schrijver.

Een werkelijke afkeer van het woord lijkt de jongeman te hebben die door Pieter Codde werd geschilderd. Een prachtig schilderij van een jongen die onderuitgezakt op een stoel zit. Zijn ene elleboog rust op een tafel waarop een foliant ligt. Hij heeft er zich van afgewend, alsof het hem verveelde. Zijn houding, die men nu zou kenschetsen als lamlendig, wordt echter door de iconologen in verband gebracht met de melancholie.

Hollandser en huiselijker zijn de scène waarop een zieke vrouw bezocht wordt door een arts. Op een dergelijke scène van Jan Steen ligt een briefje op de grond met het opschrift: "Daer baet geen medisijn, want het is minnepyn'. Voor de toeschouwer is dat erg om te lachen. Steen is dan ook de enige vertegenwoordigde schilder waar werkelijk iets van vrolijkheid doorklinkt. Dat komt het meest tot uiting in zijn schilderij Rederijkers aan het venster. Daar wordt niet zozeer gelezen, als wel gedeclameerd of gezongen door een gezelschap uitbundige drinkebroers. Nee, hoe mooi een aantal van deze schilderijen ook zijn, het boek is nooit aanleiding tot vreugde. Het boek stipuleert integendeel de vergankelijkheid, is het niet door de inhoud, die soms leesbaar is (een stukje psalm, een regel uit het boek Job), dan is het wel door de fysieke vergankelijkheid van het boek zelf. Zelfs zonder zure regen liggen de folianten al te verschimmelen.

In het genre van briefschrijvers en brieflezers bevinden zich de mooiste schilderijen op deze tentoonstelling. Maar ook de brief brengt zelden iets goeds. In het beste geval is de boodschap neutraal en door de toeschouwer in te vullen.

Voyeurisme

Het thema van de lezende kluizenaar is via dat van de lezende geleerde en de lezende godvruchtige vrouw zoals bij Rembrandt en Gerrit Dou geëvolueerd tot het lezend personage in Hollandse kleding in een Hollands interieur. De beste voorbeelden daarvan zijn Johannes Vermeer en Gerard ter Borch. Van Vermeer hangt hier het briefschrijvend meisje uit de National Gallery in Washington, een vele malen gereproduceerde vrouw in een geel, met bont afgezet jakje, dat even opkijkt van haar schrijfarbeid. De trend voor dit onderwerp is gezet door Ter Borch en hij is dan ook het best vertegenwoordigd: met zes schilderijen van lezende of schrijvende personages.

Soms beeldt Ter Borch enkele figuren af en daarbij weet hij niet alleen de aandacht weer te geven van de lezer of schrijver voor zijn brief, maar ook de aandacht van het tweede personage voor die ander. Hij wacht op het moment dat die ander uitgeschreven of uitgelezen is. Degene die nu naar zo'n schilderij kijkt, concentreert zich op zijn beurt weer op die twee. Zo ontstaat er een hiërarchie in voyeurisme.

Op andere schilderijen van Ter Borch figureert maar één persoon. Een briefschrijfster, een lezeres en twee maal een lezer. De lezeres zit aan tafel en heeft zojuist een brief gelezen. Naar de inhoud kunnen we alleen maar raden, maar ze heeft hem uit en laat, terwijl ze nadenkend aan een glas nipt, de inhoud tot zich doordringen. Het knappe is niet alleen de uitgebalanceerde compositie en de schitterende manier waarop het opzij geschoven tafeltapijt, de aardewerken kruik en de satijnen japon zijn weergegeven, maar vooral de keuze van het moment, dat niet langer dan een seconde geduurd kan hebben. Daarbij komt nog dat door de houding van de vrouw ook de tijd voor en de tijd na dat moment in dit ene beeld is vastgelegd. Ze heeft haar glas gevuld, ze heeft de brief geopend en gelezen en nu, na dat lezen, denkt ze na over de consequenties van de boodschap.

Meer dan Dou met zijn geleerden, hoe technisch knap hij stoffen, papier en huid ook heeft weergegeven en indringender dan enkele andere Rembrandtleerlingen met hun personages in een sacrale sfeer, heeft Ter Borch een grote mate van universaliteit weten te bereiken. Zijn werk is veel minder gebonden aan tijd en betekenis. Ter Borch weet als geen ander de intensiteit weer te geven waarmee zijn personages zich op een tekst concentreren. Hoe dat komt is niet eenvoudig aan te geven. Er is om te beginnen een grotere mogelijkheid tot herkenning of identificatie met Ter Borchs figuren. De evangelisten, heremieten en studieuze alchemisten van Dou cum suis zijn eigenlijk slecht geschminkte figuranten in een verouderd toneelstuk. Hun kleding is fantasie. Ze zijn gehuld in quasi-antieke lappen, mantels of kostbare draperieën, die vroeger misschien de suggestie van authenticiteit bezaten en opgevat werden als de werkelijke kleding van kluizenaars en geleerden. Ter Borch kleedt zijn personen in eigentijdse kleding, niet speciaal opzichtig of extravagant. Het is eveneens gearrangeerd, maar het oogt veel natuurlijker.

Huid

Ten tweede is er het toneelmatige van de gezichten van die antieke personages. De evangelisten, de kluizenaars en de devote vrouwen zijn oud en hun hoge leefijd wordt aangegeven door hun gerimpelde huid. Dat gebeurt zo nadrukkelijk dat het ongeloofwaardig wordt. Zoals te jonge filmacteurs die een oudere rol moeten spelen door de mand vallen omdat ze te overdadig als oudere zijn geschminkt. Hendrick ter Brugghen schildert bovendien de koppen van drie van zijn vier evangelisten wel als die van bejaarden, maar hun schouders, borst en armen behoren aan een jongere generatie. Ter Borchs en Vermeers personages zijn allen jong en niet bijzonder mooi of lelijk gemaakt.

Een derde verschil tussen de evangelisten- en geleerdentraditie enerzijds en het "alledaagse' briefschrijversgenre anderzijds heeft te maken met de keuze van het moment. De kluizenaar, de evangelist, de geleerde astronoom, de filosoof zijn altijd aan het lezen, schrijven of mediteren. Ze hebben maar één bezigheid. Er is geen enkele aanwijzing dat ze wel eens de vloer vegen of een potje bier drinken. Ze zijn tijdloos en daardoor als personages dodelijk saai. De vreugde die men nu nog uit deze schilderijen kan putten ligt daarom eerder op het formeel picturale vlak. Hoe anders is dat bij Ter Borch. Bij hem bevinden de mensen zich in een veel realistischer omgeving, in veel realistischer kleding, en wat we zien is één moment uit hun leven. Een fractie uit de periode dat het lezen van een brief duurt.

Ook bij Ter Borchs Lezende jongen uit Schwerin is de toeschouwer een voyeur. Hij dringt binnen in de intimiteit van een simpel vertrek waar een jongen zit te lezen. Op een ton naast hem staat een stenen kruik en ligt een degen. De jongen is deze wereldlijke zaken vergeten en leest in een ontspannen en tegelijkertijd geconcentreerde houding in zijn boek. Diezelfde combinatie van aangename aandacht heeft Ter Borch weten te bereiken in zijn Brieflezende man uit Detroit. Ook hier weer een weergaloze manier om de kleding, een soort rok met manchetten van bont, de huid, de haren, de tafel en de muur weer te geven, alle in tinten bruin. Ook hier liggen de voorwerpen van alledag, zoals een wandelstok, terzijde. En ook hier de hoogste aandacht voor een brief die hij met beide handen vasthoudt. De licht geopende lippen suggeren een niet onaangename boodschap. Dit schilderij draagt geen moraal uit, geen boodschap over vergankelijkheid. Het schilderij heeft geen ander onderwerp dan de aandacht van een lezer voor een brief en het moment dat de boodschap zijn plaats verovert in het hoofd van die lezer. Dat dit gebeurt met subtiel weergegeven plezier maakt dit schilderij tot het hoogtepunt van Leselust.

    • Roelof van Gelder