Klassiek juridisch gedachtengoed leidt tot ethische weekhartigheid

Tijdens de opening van de Security-beurs op 3 oktober lanceerde ik publiekelijk de gedachte dat door overvallers bedreigde winkeliers zich mogen verweren. Daarbij kwam mede het klaarhebben en/of gebruiken van een slagwapen - de befaamde honkbalknuppel - aan de orde.

Daags voor de opening van de Security-beurs nam KNOV-voorzitter Kamminga een voorschot op het daar gehouden debat door in het actualiteitenprogramma Brandpunt te verzekeren dat van de zijde van de ondernemers alles was gedaan om zich zowel preventief als feitelijk weerbaar te gedragen. Hij maakte duidelijk dat de politie nu aan zet is voor wat betreft de beveiliging van ondernemers. Daarbij stelde hij de retorische vraag of de winkeliers zich met honkbalknuppels zouden moeten bewapenen.

In het debat van 3 oktober stelde Kamminga de honkbalknuppel opnieuw aan de orde. Om te voorkomen dat de suggestie zou worden gewekt dat een burger zich niet mag verweren, antwoordde ik dat een burger zich onder omstandigheden proportioneel mag verdedigen, ook met het gebruik van een dergelijk slaghout. Uit de belangstelling van de media valt af te leiden dat dit een heet hangijzer is.

Allereerst wil ik beklemtonen dat niet zozeer het gebruik van een honkbalknuppel aandacht verdient, alswel de weerbaarheid. Als winkeliers hun bedrijf hebben voorbereid op een overval door achtereenvolgens een risico-analyse te maken, hun organisatie aan beveiligingseisen aan te passen, de buit te beperken en bewijsgaring te helpen, dan rest de vraag voor iedere individuele winkelier: “Hoe gedraag ik me als ik overvallen wordt?” Aangezien een overval altijd gepleegd wordt als de politie niet aanwezig is, is er per definitie een moment waarop een winkelier oog in oog staat met een overvaller en dat hij op zichzelf is aangewezen. Een van tevoren doordachte, zo mogelijk goed getrainde, geconditioneerde reflex past daarin meestal beter dan een willoze onderwerping. Kernpunt is een discussie over de wenselijke gebeurtenissen op het moment dat preventie gefaald heeft en de politie nog niet ter plaatse is.

Maar eerst dient nog een klemmende vraag beantwoord te worden: “Hoelang moet een burger zichzelf redden?” Over de vraag wanneer de politie komt en waar de burger op mag rekenen het volgende. De politie kan in haar reactie op een overval prioriteiten stellen en daarbij kiezen tussen het vangen van de dader, het helpen van de burger of het beschermen van zichzelf. Bij een gewapende bankoverval blijft de politie op enige afstand teneinde schietpartijen en gijzeling te voorkomen. Maar hoe reageert de politie bij een overval op een winkel? Hier geldt geen standaardprocedure, maar is de reactie afhankelijk van het bedrijf, de omstandighedenen de afspraken die plaatselijk met de ondernemer(s) zijn gemaakt.

Er valt iets voor te zeggen om het te hulp komen van bedreigde burgers zwaarder te laten wegen dan het vangen van een dader, de veiligheid van omstanders en de veiligheid van de politie zelf. Ik denk dat overal standaardprocedure is dat een meldkamer na een melding belt naar de winkel in kwestie. Als de telefoon niet wordt opgenomen, gaat de politie dan naar de plaats toe? Wordt er een afzetting geformeerd? Of beiden? Standaard wordt voor beide opties gekozen en per geval handelen de politiemedewerkers en de leiding van de meldkamer vervolgens naar het bekende "bevind van zaken'.

Eigenrichting is in ons recht uitgesloten. Gebruikt een burger geweld dan kunnen met name genoemde gronden (Wetboek van Strafrecht, I Titel 3) tot straffeloosheid leiden. Het artikel over noodweer (art. 41 lid 1) rechtvaardigt een proportionele reactie op een "ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van lijf, eerbaarheid of goed'. En dat kan per saldo tot geweldsreductie leiden.

In onze samenleving beslist de rechter of een beroep op noodweer al dan niet terecht is. Het evenredigheidsbeginsel werd reeds uitgedrukt in de Mozaïsche wet: "(Niet meer dan) een oog om een oog en (niet minder dan) een tand om een tand'. De rechter weegt heden ten dage naast deze proportionaliteit van het geweld ook af, of er een andere reactie op de aanranding mogelijk zou zijn geweest. Dit subsidiariteitsbeginsel, dat in de jurisprudentie tot ontwikkeling is gekomen, laat onverlet dat burgers zich op onverwachte situaties mogen voorbereiden. Het voorhanden hebben van een slagwapen om te gebruiken tegen eventuele aanranders lijkt echter, als er daadwerkelijk een aanrander mee geslagen wordt, een beroep op noodweer niet in de weg te staan, tenzij er een redelijk alternatief was.

Welk instrumentarium heeft de burger tot zijn beschikking bij het vormgeven van weerbaarheid? Sociale controle, vermijdingsgedrag en technische preventie zijn instrumenten om de kans op slachtofferschap te verkleinen. Kunde in een vechtsport is bij voorbeeld van een andere orde. Het vermindert niet de kans om slachtoffer te worden, maar kan indien goed toegepast een feitelijke aanranding bekorten of zelfs verhinderen. Bij vele vrouwen is door het volgen van een zelfverdedigingscursus de weerbaarheid verhoogd, waar het gaat om het zich actief teweerstellen tegen een poging tot verkrachting of aanranding. Is een schop in het kruis van een aanrander disproportioneel? Of moet zij mikken op de schenen? In relatie tot het ondergaan van een overval of beroving is het zich actief teweerstellen door middel van een slag met een daartoe geschikt hulpmiddel in feite vergelijkbaar.

Bij het reageren op een overval op een winkel zijn ook gedragsalternatieven denkbaar. Een eerste alternatief is bijvoorbeeld "op de dader inpraten'. Ook kan het winkelpersoneel niet wegvluchten, maar juist erbij komen. Een derde alternatief is dat een bedreigde winkelier een slagwapen ter verdediging ter hand neemt. Wegvluchten en de winkel en het personeel in de steek laten, behoort mijns inziens niet per definitie tot de redelijke alternatieven. De keus is aan de ondernemer: vluchten, het begeerde afgeven, dreigen met een slagwapen of er eventueel daadwerkelijk mee slaan. Het letsel dat de dader daarmee oploopt, hoort tot de risico's die hij oproept met zijn gedrag.

Gepleit kan worden voor een opgeven van de nevenschikking van proportionaliteit en subsidiariteit in het beoordelen van noodweer. Met andere woorden: dient, als er proportioneel gehandeld is, de subsidiariteitsvraag nog gesteld te worden? Het vasthouden aan het klassieke juridische gedachtengoed (“U heeft geslagen, maar u kon toch ook weglopen?”) kan al te gemakkelijk leiden tot een ethische weekhartigheid en het stellen van onrecht boven recht.

Veranderende omstandigheden in de samenleving vereisen heroriëntatie op de interpretatie van de wet. Waar vroeger in het geniep spullen gestolen werden uit een winkel, gebeurt steeds vaker in alle openheid en onder bedreiging. Dat vraagt om een andere attitude, zowel van juristen als van winkeliers. Als het getij verloopt, moet men de bakens verzetten.

De discussie over weerbaarheid is geopend. Niet alleen rechters en advocaten behoren zich te buigen over dergelijke vraagstukken. Weerbaarheid tonen vergt voor velen een mentaliteitsverandering. Nadenken over een eigen rol in het tegengaan van criminaliteit, over grenzen aan geweld, over handhaving van normen moet in alle lagen van onze samenleving plaatsvinden.

En dan dreigt de burger toch weer te blijven zitten met de vraag: Waar ligt de grens? Wordt het optreden door de rechter op een goudschaaltje afgewogen? Wellicht dat de volgende richtlijn zou mogen gelden: “Een mens die redelijk goed in elkaar zit, en die redelijk goed over de dingen heeft nagedacht, en die redelijk goede voorzieningen heeft getroffen, mag verwachten dat zijn gedrag in een situatie van dreiging aanvaardbaar zal zijn en dienovereenkomstig zal worden beoordeeld. En mocht hij daarbij door een hevige gemoedsbeweging te ver gaan, dan geldt in laatste instantie de bescherming van de wet, namelijk de bepalingen over noodweerexces. Ten slotte mogen wij niet vergeten dat de emotie van degene die zijn spullen verdedigt in beginsel even eerbaar is als het besluit van iemand anders om geen risico's te nemen. Maar als dat laatste besluit al te zeer in de hand gewerkt wordt, doordat men zich door de overheid in de steek gelaten voelt, is er iets ernstigers aan de hand met de kwaliteit van de samenleving. Zulke frustraties kunnen leiden tot onevenredige reacties.