Kennis is onmacht

Govert Schilling vermeldt in zijn boek De salon van God dat ons melkwegstelsel met een duizelingwekkende snelheid van enkele honderden kilometers per seconde door het heelal tuimelt.

Hij zegt er niet bij voor wie dat duizelingwekkend is, zeker niet voor ons want wij merken er niets van. Maar verbazingwekkend is het wel en ik kan minuten lang uit het raam staren om iets te registreren van de honderden kilometers per seconde. In hetzelfde boek schrijft Schilling: “Veel mensen nemen het bestaan voor lief. Ze staan niet stil bij het fascinerende idee dat de koolstofatomen in hun lichaam ooit gevormd zijn in de nucleaire ovens van andere sterren; dat hun hersenactiviteit gedragen wordt door electronen die de oerknal hebben meegemaakt.” Binnen de onmetelijkheid van het universum schept dit inzicht toch een vertrouwd gevoel. De kosmos als geboortestreek waarmee je je verbonden voelt en die je bereid bent te verdedigen tegen inhalige ex-Joegoslaven. Dat zou het gevoel kunnen zijn wanneer je wel bij dit fascinerende idee stilstaat. Er zijn meer van zulke fascinerende ideeën. Douwe Draaisma schrijft in zijn proefschrift Metaforen van het geheugen: “Al ons denken, handelen en bewegen wordt bestuurd door de tweeënhalve pond zenuwweefsel die roerloos in onze hersenpan ligt. Ergens in de stille, duistere windingen van deze Onbewogen Beweger huist het vermogen om ons een zonovergoten strand voor te stellen of ons muziek te herinneren.”

Vooral de combinatie van duister en zonovergoten onderstreept de raadselachtigheid van het menselijk brein. Hoe voelt het om te beseffen dat wij een donkere kamer meedragen waarin wij het licht zien. Gerrit Krol heeft net een roman gepubliceerd, Omhelzingen, waarin hij uitbeeldt hoe het zou zijn als wij ons de tijd cyclisch voorstellen in die zin dat elke gebeurtenis weer bij zich zelf terugkeert. Misschien is de teneur van de roman nog eerder dat elke gebeurtenis zich een onbeperkt aantal keren in zich zelf herhaalt. In dit boek sterft men, als men sterft, dus letterlijk duizend doden als het er niet meer zijn.

Deze drie boeken lees je gemakkelijk binnen een week en je zou zeggen als de daarin aangeroerde kwesties zo fascinerend zijn als de auteurs tonen, dan hoor je daar toch een ander mens van te worden. Ik zou zeker niet zo ver willen gaan als Prediker, die beweert dat vermeerdering van kennis leidt tot vermeerdering van smart. Maar toch zit er iets smartelijks in al deze wetenswaardigheden. Deze kennis, die wij toch niet af zouden willen doen als banaal, houdt ons op kritieke momenten niet van de straat. En dat is gek, want dat lijkt in tegenspraak met het fascinerende karakter van de ideeën. Ik bedoel niet dat ik verder niet zoveel kan doen met deze kennis omdat ik geen astronoom, hersenfysioloog of romanschrijver ben. Ik denk dat zelfs voor de drie auteurs geldt dat er in hun persoonlijk leven momenten zijn waarop zij de fascinatie met hun probleem gemakkelijk loslaten. Stel dat elk van de drie een slechte recensie krijgt, zou de één dan denken, interessant dat de hersenactiviteit van mijn recensent gedragen wordt door electronen die de oerknal nog hebben meegemaakt, de ander dat het toch onmiskenbaar boeiend is dat de tweeënhalve pond zenuwweefsel van zijn recensent in zijn roerloze staat bij machte is zulke enerverende stukjes te schrijven en de derde dat de afwijzende recensie, nu die eenmaal heeft plaatsgevonden, nog een onbeperkt aantal keren zal worden herhaald. Ik vermoed dat je niet veel aan ideeën hebt als je uitgedaagd wordt direct te reageren. Kennis is niet mobiliseerbaar om je voor ergernis, verdriet en woede te behoeden. Je zou verwachten dat ideeën van het kaliber als de net geciteerde, een beschavend effect hebben. Maar de psychologie leert dat dat niet zo is. Alle kennis lijkt in zijn onmacht het karakter te hebben van een omgevallen boekenkast.

Verplaatst naar het wereldtoneel blijkt de onmacht van kennis gigantisch. Een vluchtige blik op het journaal leert dat de mens er wel nooit toe gebracht zal kunnen worden het moorden, verkrachten en brandstichten te laten. En we mogen ook niet verwachten dat er ooit iemand zal zijn die zich oprecht moet verontschuldigen dat hij er helaas geen tijd voor heeft, omdat hij door boeiender zaken in beslag genomen wordt. En misschien is dat maar goed ook. Want zonder agressie zouden wij niet overleven. Een cultuur die zich uitsluitend bekommert om ideeën, werkt effectief aan haar eigen ondergang.

Tijdens de Golfoorlog bleek dat binnen een representatieve steekproef iedereen zijn fascinatie voor ideeën inwisselde voor een fascinatie voor het geweld. Psychologen - die men niet van cynisme hoeft te verdenken - beschouwen die reactie als een onvermijdelijk blijk van de vitaliteit van een samenleving.

Geweld en destructie zijn opwindend. Dat zal altijd zo blijven. Hoeveel mensen hebben al niet aangetoond dat pacifisme en militairisme dezelfde agressieve mentaliteit huisvesten. Ook in het IKV kan men de trekken van een kolonelsregime bespeuren. De wil tot overleven en de noodzaak om van je af te bijten zijn sterker dan de behoefte aan ideeën. De wereld zal het moeten hebben van beheersing maar kennelijk is dat niet de beheersing van meer en meer kennis.

    • Jaap van Heerden