Kamer wil richtlijnen bijklussende hoogleraar landelijk vastleggen

DEN HAAG, 15 OKT. De Tweede Kamer vindt dat staatssecretaris Cohen (onderwijs) de regeling van de nevenwerkzaamheden van hoogleraren en medewerkers aan de universiteiten te veel overlaat aan de universiteiten zelf. De Kamer wil dat er in ieder geval een aantal algemene, landelijke criteria komen, waaraan de eigen regelingen van de universiteiten moeten voldoen.

Tijdens een overleg in de Kamer lieten de woordvoerders van de vijf grootste partijen de staatssecretaris gisteren weten dat hij beter direct na het ontvangen van de aanbevelingen van de commissie-Zeevalking over de bijklussende hoogleraar, in augustus, een standpunt had kunnen innemen. Cohen besloot toen te wachten op een gedragscode die de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) op zijn verzoek ontwikkelt. Cohen zal pas begin volgend jaar, als de mening van de universiteiten bekend is, zijn standpunt bepalen. De kwestie van de nevenwerkzaamheden van universitair personeel werd politiek belangrijk toen eerder dit jaar Cohens voorganger, prof. R.J. in 't Veld, acht dagen na zijn benoeming aftrad, omdat hij in opspraak was geraakt door zijn bijverdiensten als hoogleraar.

De voorstellen van de commissie-Zeevalking houden in dat een wetenschapper toestemming moet vragen voor al het werk dat hij naast zijn hoofdbaan verricht op grond van zijn specifieke deskundigheid. Het geld dat hij daarmee verdient komt aan de universiteit toe, tenzij anders wordt afgesproken. De commissie acht het niet doenlijk onderscheid te maken tussen werkzaamheden in of buiten werktijd. De Kamer toonde zich over het algemeen ingenomen met deze voorstellen. Alleen de VVD vreesde dat de vrijheid van de hoogleraar te veel zou kunnen worden beknot.

Cohen antwoordde de Kamer dat hij geen uitdrukkelijke bevoegdheid heeft om in te grijpen in de arbeidsverhoudingen aan de universiteit “al is er wel in de informele sfeer een en ander mogelijk”. Verder vindt hij dat eerst de mensen aan de universiteiten die de normen zullen moeten uitvoeren en naleven de kans moeten krijgen een normering op te stellen. “Dat vergroot de draagkracht.” Hij zei het resultaat te zullen beoordelen op de verhouding tot de “missie van de universiteit” en op de wijze waarop er recht wordt gedaan aan het feit dat de universiteit in hoofdzaak met overheidsgeld wordt gefinancierd. Pas als hij niet tevreden is, zal hij overwegen middelen aan te wenden om toch in te grijpen. De Kamer wacht dat besluit af.

Cohen zei gisteren overigens dat hij dacht dat de universiteiten goed uit de voeten zouden kunnen met de regeling zoals de commissie-Zeevalking die aanbeveelt.