Joodse katholieken op de vlucht voor de inquisitie; Historische roman van Catherine Clement

Cathérine Clément: La Señora. Uitg. Contact, 382 blz. Vert. Eef Gratama en Jelle Noorman. Prijs: ƒ 49,90

Op een warme avond in het jaar 1579 zit een oude man op zijn marmeren balkon en kijkt uit over de koepels, minaretten en cypressen van Istanboel. In het late licht kan hij nog net zien hoe een schip de Bosporus opvaart, richting zee. Voor Josef Nasi, João Miquez, Juan Micas, ofwel de hertog van Naxos, is de reis echter afgelopen. Istanboel is het eindpunt van lange omzwervingen door Europa. Nasi kijkt terug op zijn leven, en met die terugblik begint de roman La Señora. Een dikke pil geschreven door Cathérine Clément, die in Frankrijk een ware bestseller werd.

Josef Nasi was een van de honderdduizenden die in het laat-middeleeuwse Europa op de vlucht sloegen voor inquisitie en jodenhaat. Zijn familie bestond, als zoveel andere, uit bekeerde joden. Aan het eind van de vijftiende eeuw waren zij in Spanje en Portugal zeer machtig geweest. Invloedrijke posities aan het hof werden door conversos bezet. De staat werd in belangrijke mate door hen gefinancierd. De gedwongen bekering tot het katholicisme werd soms met hart en ziel beleden - enkele van de felste inquisiteurs waren nieuwe christenen. Maar vaker was het simpelweg een dekmantel. Voor het oog van de buitenwereld werden de katholieke gebruiken stipt nageleefd, binnenskamers werden de joodse rituelen en feestdagen in ere gehouden. Op deze marranen, zwijnen, had de inquisitie het bij uitstek voorzien.

De bankiersfamilie waartoe Nasi behoorde was rijk en bovenal machtig. In tegenstelling tot minder gefortuneerde lotgenoten kon zij dankzij hoge afkoopsommen haar lot in enige mate sturen. Wat niet kon verhinderen dat ook deze familie van Lissabon naar Antwerpen, en vandaar naar Venetië, Ferrara en uiteindelijk naar Istanboel moest vluchten. Hun macht school niet alleen in hun handelsactiviteiten, maar vooral in de schuldvorderingen die zij op diverse Europese vorstenhuizen hadden uitstaan. Ze bewogen zich dan ook in de hoogste kringen. In de Lage Landen verscheen Nasi aan het hof van Margaretha van Oostenrijk, die een oogje op hem had, en raakte hij bevriend met haar neef Maximiliaan. In Turkije genoot Nasi de directe bescherming van sultan Selim. Van hem ontving hij de titel hertog van Naxos. Nasi's invloed reikte zover dat zijn aspiraties op de troon van Cyprus de sultan mogelijk aangezet hebben tot het leveren van de slag bij Lepanto, die voor de Turken op een desastreuze nederlaag uitliep.

De oude hertog op zijn terras kijkt echter niet alleen terug op de politieke gebeurtenissen van zijn tijd. Hij herbeleeft vooral zijn grote liefde voor zijn nicht Beatriz, bijgenaamd la Señora, die door het overlijden van haar man en diens broer, de bankiers Mendes, aan het hoofd van hun gigantische handelsimperium komt te staan. Ogenschijnlijk katholiek, blijft zij gedurende haar hele leven belijdend joods, en bekommert zich om het lot van de marranen die het financieel minder getroffen hebben dan zijzelf. Ze zet - mede dankzij de onvoorwaardelijke steun van haar neef - uitgebreide netwerken van vertrouwde contactpersonen op waardoor zeer veel marranen veilig naar Turkije kunnen ontsnappen. Als de familie Mendes uiteindelijk zelf in het oosten aankomt worden zij er dankzij de roem van Beatriz, "de joodse prinses', vol eerbewijzen ontvangen.

Cathérine Clément probeert in haar roman inzicht te geven in het complex van politieke, culturele en economische factoren dat het lot van deze familie bepaald heeft. Zij heeft het zich daar niet eenvoudig mee gemaakt. De roman-aspecten van het verhaal hebben er in zekere zin onder te lijden gehad. De hertog vertelt zijn herinneringen aan zijn nar en geeft zich over aan uitvoerige beschrijvingen van landschappen en gebeurtenissen, bloemrijker dan voor een verteld verhaal waarschijnlijk is. De tussengevoegde dialogen worden ook nogal eens topzwaar van informatie. De woordkeus neigt - ook voor een middeleeuwer - naar het bombastische. Maar dat is kritiek in de marge.

Uit de titel en de verantwoording van de schrijfster blijkt dat la Señora de hoofdpersoon van het boek is. Alles wat we van haar weten wordt echter gezien door de ogen van de oude Nasi. Daardoor blijft het alsof we haar vanachter glas zien. Weliswaar is zij de meest tot de verbeelding sprekende, edele figuur in het boek, maar Nasi, de verrader, de Judas, "de Fugger van het Oosten' - zoals de Franse historicus Braudel hem typeert, is in al zijn onaangenaamheid, ijdelheid en machtige machteloosheid de eigenlijke hoofdpersoon.

Zijn contouren noemt Braudel in De middellandse zee (-) ten tijde van Filips II (Contact 1992) te schimmig om ooit achter de werkelijke motieven van zijn handelen te komen. Verwondering wekt dit niet voor een marraan die veel van zijn activiteiten voor de autoriteiten verborgen moest houden. Cathérine Clément maakt een historische keuze waar Braudel vooral vraagtekens ziet. Zij laat het handelen van Nasi soms uit eigenbelang gestuurd worden, maar vaker in opdracht van la Señora. Daarbij moet hij heel wat schurkenstreken (laten) uithalen. Uit liefde voor haar wordt hij Judas, opdat zij vereerd kon worden. Op een indringende manier geeft Clément gestalte aan de machtige, ongrijpbare schimmen, wier namen nooit een plaats in de geschiedschrijving zouden krijgen, waartoe Nasi zichzelf rekent.

Als roman valt er wel wat op La Señora aan te merken, maar het is begrijpelijk dat het boek zo'n succes heeft. Dankzij de dramatisering van de historische gegevens geeft Clément op een intelligente en bijzondere manier inzicht in een verdwijnende wereld, het machtscentrum rond de Middellandse zee.

    • Jinke Obbema