Intimiderende aanwezigheid attachés houdt Haïti kalm

PORT-AU-PRINCE, 15 OKT. Ontzet, maar vooral geïntimideerd staat een groepje mensen zwijgend op de hoek bij de Heilig-Hartkerk in de wijk Carrefour in de Haïtiaanse hoofdstad Port-au-Prince te kijken naar wat zich verderop in de straat heeft afgespeeld. De toeschouwers stuiven uiteen als een personenauto met twee gewapende mannen in burger erin met piepende en rokende banden schijnbaar doelloos op het kruispunt rondjes om z'n as gaat draaien. “Attachés, Macoutes!”, waarschuwt een oudere man.

In de straat die langs de kerk loopt ligt een met kogels doorzeefde terreinwagen, op z'n kant. Op de stoep zijn, netjes naast elkaar uitgestald, tussen glasscherven en in hun eigen bloed, de ontzielde lichamen te zien van minister van justitie Guy Malary, zijn chauffeur en zijn lijfwacht. Mannen met automatische wapens houden de wacht naast de lichamen.

De echtgenote van Malary komt aangerend en knielt snikkend bij het lijk van haar man. Een auto van de gecombineerde waarnemersmissie van de Verenigde Naties en de Organisatie van Amerikaanse Staten staat op veilige afstand geparkeerd, de chauffeur spreekt opgewonden in een walkietalkie.

De gisteren vermoorde Malary (50) was een gerespecteerde jurist die betrokken was bij het programma om de democratie in zijn land te herstellen. Inmiddels heeft de Amerikaanse president Clinton de moord veroordeeld als “een wanhopige poging de wil van het Haïtiaanse volk te dwarsbomen”.

Op ongeveer dezelfde plaats als waar Malary ligt is al eerder een bondgenoot van Haïti's verdreven president Jean-Bertrand Aristide vermoord. Een maand geleden werd de zakenman Antoine Izmery door gewapende mannen uit de Heilig-Hartkerk gesleurd en op straat doodgeschoten. Journalisten die nu ter plekke aan het werk zijn, rennen weg als een kleine open bestelauto met geüniformeerde en burgerpolitie arriveert en de wapens richt op de pers.

Ook elders in Port-au-Prince rijden nu bestelauto's met "attachés', de niet-reguliere hulptroepen van politiecommandant kolonel Michel François, triomfantelijk en uitdagend door de overvolle straten, waar het vuilnis hoog is opgetast. Er wordt snel plaats voor hen gemaakt door automobilisten die doorgaans elk berijdbaar stukje van het met gaten gepokte asfalt zelf willen benutten. Voetgangers houden halt en kijken de voertuigen zwijgend na.

Intimidatie, bedreigingen. In Port-au-Prince regeert de angst, maar van een chaos is absoluut geen sprake. De "attachés' hebben de wind eronder. Begin deze week wisten ze met hun intimiderende aanwezigheid te verhinderen dat een schip van de Amerikaanse marine ruim tweehonderd Amerikaanse en Canadese constructie- en medische experts van de VN-operatie in Haïti afzette. Een algemene staking die zij vorige week verordonneerden werd een groot succes. Onder de dreiging van wapens durfde niemand zijn huis uit te komen, kinderen werden uit schoolbussen gehaald.

Pag.5: "Volk zal eens exploderen'

“Ik had Port-au-Prince nog nooit zo leeg gezien”, zegt de tachtigjarige Nederlandse missionaris Laurens Bohnen, een Salesianer pater die al veertig jaar werkt in de sloppenwijken van de hoofdstad. Bohnen woont op een steenworp afstand van de St. Bosco-kerk, waar de toenmalige priester Aristide zijn politieke carrière is begonnen met felle preken tegen het sociale onrecht in het land en tegen de heersende elite van zakenmensen, militairen en kerkelijke autoriteiten. Van de St. Bosco-kerk is niet veel meer over dan een uitgebrand karkas; het werk van de attachés in de tijd dat ze nog Tonton Macoutes heetten. Aristide is in ballingschap. Maar boven de poort van de school waar pater Bohnen kantoor houdt, hangt nog altijd de tekst: 'President Aristide, oud-leerling, wij zijn trots op je'. En Bohnen is dat in elk geval op zijn voormalige pupil, met wie hij samen is afgebeeld op een foto die prominent boven zijn bureau hangt. “Hij komt terug op 30 oktober”, zegt Bohnen met een lichte twinkeling in zijn ogen. “Maar ze hebben er nooit bij gezegd in welk jaar.”

Bohnen en andere inwoners van Port-au-Prince bevestigen het beeld van een kalme, gelaten hoofdstad die met ingehouden adem wacht op de dingen die komen gaan. Maar ook, aldus Bohnen, “met ingehouden woede, opgekropte haat - eens moet er een enorme explosie komen onder het volk”. Voorlopig is er angst, en hoop op veranderingen, hoewel in afnemende mate. “Waarom laten de Verenigde Naties ons in de steek?”, vraagt een oude vrouw op de ochtend dat Canadese politiemensen met blauwe VN-baretten op en koffers in de hand in een keurige rij op het vliegveld wachten op hun beurt om met een toestel van de Canadese luchtmacht terug te vliegen naar hun eigen land.

De nog overgebleven manschappen van de VN-operatie, onder wie een handjevol Amerikanen, wacht intussen, net als de Haïtianen, af wat er gaat gebeuren. Verveeld hangen ze om het zwembad van een hotel in de heuvels boven Port-au-Prince en houden de lippen stijf op elkaar als ze naar hun mening wordt gevraagd. Beneden, in de hitte van de hoofdstad, houden de mensen zich bezig met de dagelijkse strijd om te overleven. Ook hier wordt niet veel gezegd, in elk geval niet in het openbaar. Een uitzondering vormt een kennelijk beschonken man die in de vroege ochtenduren in de tuin van een hoofdstedelijk hotel een langdurig en gepassioneerd, maar incoherent, pleidooi voor Aristide de lucht in schreeuwt.

Wie ook spreekt, is generaal Raoul Cedras, de Haïtiaanse legerleider en de woordvoerder van de militaire junta. Hij lijkt verrast, en oprecht geschokt, als hij tijdens een persconferentie het nieuws van de moord op Malary te horen krijgt. Hij schudt het hoofd en mompelt wat. Maar hij zegt niets over zijn plannen voor vandaag, de dag dat hij volgens het door hemzelf in juli gesloten akkoord over de terugkeer van de democratie in Haïti zou moeten aftreden. Ook voor Cedras lijkt het devies: afwachten, terwijl de attachés van kolonel Francois nieuwe, onaangename verrassingen voor Port-au-Prince voorbereiden.