Iedere dag hecht ik minder waarde aan intelligentie; Biografie en brieven van Marcel Proust

In de nieuwe Proust- biografie van Ghislain de Diesbach wordt de Franse schrijver afgeschilderd als een onverbeterlijke snob, een ingebeelde tirannieke zieke met een onevenwichtig, achterdochtig karakter. Diesbach wilde de vrome legende rondom de geniale schrijver voorgoed de wereld uit te helpen.

Ghislain de Diesbach: Proust. Vert. Martine Vosmaer en Karina van Santen. Uitg. De Bezige Bij, 1993, 738 blz. Prijs: ƒ 79,50 en ƒ 97,50 (geb). Correspondance de Marcel Proust, Tome XXI, Texte établi, présenté et annoté par Philip Kolb, Uitg. Plon, 1993, 901 blz. Prijs ¢4ƒ 130,-

“Het leven van Proust beschrijven is waarschijnlijk de slechtste dienst die men zijn werk kan bewijzen.” Met deze merkwaardige stelling opent Ghislain de Diesbach zijn bijna 800 bladzijden tellende biografie. Doorgaans zoeken auteurs van schrijversbiografieën een rechtvaardiging van hun onderneming in een verheldering van de verhouding tussen leven en werk van de schrijver. Wat bedoelt Diesbach met zijn openingszin? Als het een waarschuwing aan zijn lezers is dat het beeld van de schrijver en zijn leven dat voor hen zal oprijzen. teleurstellend is, dan lijkt hij zijn lezers dezelfde denkfout toe te schrijven als de door Proust terecht zo gehekelde Sainte-Beuve. In zijn essay Contre Sainte-Beuve (1908) verweet Proust deze negentiende-eeuwse criticus immers dat hij bijna al zijn grote tijdgenoten - Stendhal, Balzac, Flaubert en Baudelaire - had onderschat, omdat hij zich bij de analyse van hun werk liet leiden door zijn negatieve oordeel over hun karakter of hun maatschappelijke positie.

Uit het door Diesbach vertelde levensverhaal van Proust rijst inderdaad een weinig aantrekkelijk beeld op. Diesbach schildert de schrijver af als een onverbeterlijke snob, een ingebeelde tirannieke zieke met een onevenwichtig, pathologisch achterdochtig karakter en een psychologisch inzicht dat zo scherp is dat Diesbach het "griezelig' noemt.

Voor het oeuvre van Proust heeft Diesbach echter niets dan lof en dat zal dan ook wel het motief zijn dat hem er in eerste instantie toe heeft gebracht nog een Proust-biografie toe te voegen aan de al bestaande van Prousts tijdgenoot Léon-Pierre Quint, van André Maurois en van de Engelsman George D. Painter. Diesbach heeft daarbij dankbaar geput uit een bron waar Painter nog niet over beschikte: de volledige uitgave van Prousts correspondentie. De afkeurende termen waarin Diesbach in zijn voorwoord over de inhoud van deze correspondentie spreekt en de hierboven geciteerde merkwaardige openingszin van zijn biografie doen vermoeden dat een tweede beweegreden van Diesbach toch in de behoefte tot demystificatie is gelegen. Waarschijnlijk had hij het verlangen om de vrome legende rondom de geniale schrijver, die zich als een martelaar voor de kunst opsluit in een met kurk geïsoleerde kamer waar hij overdag slaapt en 's nachts de schimmen van een verloren tijd oproept, voorgoed de wereld uit te helpen.

Diesbach, die zijn sporen in de schildering van de wereld van de Franse elite heeft verdiend met onder meer een biografie van Mme de Staël, schetst in dit boek de maatschappij en de milieus waarin Proust opgroeit en zich een weg baant naar mondain en literair succes. Proust wordt in juli 1871 in Parijs geboren. Zijn vader, Adrien Proust, is een arts met een gevestigde reputatie die zich dank zij een beurs en een goed verstand heeft kunnen losmaken uit een kleinburgerlijk provinciaal milieu. Prousts moeder, Jeanne-Adrienne Weil, is afkomstig uit een welgestelde, gecultiveerde joodse familie. Hoewel het gezin Proust zeker als respectabel wordt beschouwd, gaan voor de jonge Proust niet automatisch alle deuren in de strikt gecompartimenteerde Franse samenleving open en daarop heeft hij, geïntrigeerd door de echo's die vanuit deze gesloten wereld tot de woonkamer van zijn ouders doordringen, nu juist zijn zinnen gezet. Tot de dood van zijn moeder in 1905 zal Proust een groot deel van zijn tijd "verdoen' aan de literaire en muzikale soirées in de talrijke salons van de faubourg Saint-Honoré, zetel van de welgestelde burgerij, en van de aristocratische faubourg Saint-Germain.

De salons vormen een middelpunt van het muzikale en literaire leven, maar beconcurreren elkaar onderling in een meedogenloze strijd om de coryfeeën die hun aanzien en aantrekkingskracht kunnen verhogen. Gastvrouwen en bezoekers worden gelijkelijk bezield door de wens om te heersen en te arriveren en laten elkaar zonder pardon vallen als er zich aantrekkelijkere sterren aan het firmament aandienen. Zo ontfutselt mevrouw Arman de Caillavet, een van de modellen voor Mme de Verdurin in de Recherche, voor haar salon op de rive droite de schrijver Anatole France (Bergotte in de Recherche) aan een van haar rivales en verplicht zij deze trekpleister om tijdens de rondom hem georganiseerde soirées anekdotes te vertellen. Haar echtgenoot zal eens, als hij tijdens een dergelijke ontvangst in zijn eigen huis rondloopt, verzuchten: “Het is vreemd, maar ik ken hier werkelijk niemand”.

Deze wereld waar Proust zich als kroniekschrijver voor de society-rubrieken van Le Gaulois en Le Figaro toegang toe zal weten te verschaffen, zal hem het materiaal bieden voor tal van personages van de Recherche: hij slaat er gefascineerd het schouwspel van een subtiel, maar ook harteloos sociaal spel gade, en conformeert zich aanvankelijk tot in het karikaturale aan de in deze wereld gangbare code van complimenteuze maar vaak ook giftige wellevendheid. Diesbach schildert de jonge Proust af als een gemaniëreerde, geëxalteerde hoveling die totaal opgaat in deze kunstmatige, snobistische wereld waar men elkaars doen en laten onophoudelijk becommentarieert en waarin menselijke hartstochten en sociale conventies op een verstikkende manier met elkaar verstrengeld zijn.

Het lijkt of Diesbach in sommige van zijn beschrijvingen is aangestoken door het virus van wat hijzelf karakteriseert als "die vlerkerige Parijse gevatheid', de fameuze esprit, die noodzakelijk was in de kringen die hij beschrijft. Wat te denken van formuleringen als "mevrouw de Caillavet kreeg eerst een zoon... en toen een salon' of "Madeleine Lemaire, organiseert van tijd tot tijd een groot gekostumeerd bal waarbij ze nauwelijks verandert, want ze is altijd meer verkleed dan gekleed?'

Hoewel Proust in de loop van de jaren steeds meer afstand had genomen van de wereld die hem aanvankelijk zo verblindde, en zich ook steeds serieuzer met het schrijven ging bezighouden, komt de definitieve ommekeer pas met de dood van zijn geliefde moeder in 1905. Haar dood markeert het einde van zijn jeugd en verandert de hele voorafgaande periode in een onherroepelijk voorbij verleden vol gemiste kansen en lichtzinnig genoten geluk. Het is dit verleden, deze temps perdu, die Proust in de Recherche opnieuw tot leven probeert te brengen. Hij baseert zich hierbij op een theorie die hij al bij zijn bestrijding van de methode van Sainte-Beuve ontvouwt. Proust maakt een strikt onderscheid tussen het onderbewuste en het intellectuele ik, tussen het domein van de driften, emoties, verbeelding en herinnering enerzijds, en het gebied van de intelligentie en van het door sociale conventies bepaalde gedrag anderzijds. “Iedere dag hecht ik minder waarde aan de intelligentie”, schrijft hij in het voorwoord van Contre Sainte-Beuve. Tegenover de beperkingen van ons kenvermogen dat ons zowel van het eigen innerlijk als van de werkelijkheid buiten ons slechts een schematisch en onvolledig beeld kan geven, stelt Proust de rijkdom van het onderbewuste, waar onze ervaringen zich geleidelijk ophopen en beïnvloed door onwillekeurige mentale processen vorm geven aan een ik dat uniek is en autonoom ten opzichte van de buitenwereld. Soms vangen wij een glimp op van dit onderbewuste ik, bijvoorbeeld als een toevallige zintuiglijke gewaarwording onverwacht een reeks herinneringen in ons wakker roept en het verleden dat wij verloren waanden, tot in de kleinste details voor ons doet herleven. De kunstenaar moet zich erop toeleggen om dit ik dat op de bodem van zijn bewustzijn verzonken ligt, naar de oppervlakte te brengen en in zijn werk vorm te geven.

De vervulling van deze taak waaraan hij in 1909 definitief zal beginnen, blijkt nauwelijks te combineren met de wereldse genoegens van het uitgaansleven en Proust komt nog maar zelden uit de donkere kamer waar hij overdag slaapt en 's nachts werkt. Het astma waar hij al vanaf zijn vroege jeugd aan lijdt, is een welkom excuus om zich aan alle verplichtingen te onttrekken.

Eind juni 1912 is De kant van Swann uitgetypt en na tal van onderhandelingen wordt het door Grasset in 1913 op kosten van de auteur uitgegeven. Door het uitbreken van de oorlog wordt de publikatie van de volgende delen op de lange baan geschoven - Grasset en Gallimard, de potentiële uitgevers, zijn beiden letterlijk ziek van angst dat ze naar de loopgraven gestuurd zullen worden. Dit geeft Proust de gelegenheid steeds nieuwe episodes aan zijn roman toe te voegen. In 1919 wordt In de schaduw van de bloeiende meisjes bekroond met de Prix Goncourt en is de strijd om roem en erkenning gewonnen. De wedloop tegen de klok neemt echter steeds dramatischer vormen aan. Proust, wiens levenswijze steeds extremer en gezondheid steeds slechter wordt, is bang dat hij zijn werk niet kan voltooien voor zijn dood en deze angst zal bewaarheid worden. Hij beleeft nog de publikatie van De kant van Guermantes, en Sodom en Gomorra, maar sterft op 18 november 1922 op 51-jarige leeftijd aan de gevolgen van een verwaarloosde bronchitis, met de manuscripten van de resterende delen van de Recherche rond zijn bed. Proust was zo bang dat de dood hem zou inhalen dat hij zich zelfs niet de tijd gunde om haar te bestrijden.

Het is opmerkelijk dat Diesbachs biografie boeiender wordt vanaf het moment dat de figuur van Proust op de voorgrond treedt. De bezeten worsteling van Proust met zijn werk is oneindig veel dramatischer en spannender dan zijn mondaine lotgevallen. Diesbach blijft streng en ontoegeeflijk tegenover zijn personage, maar vergeet in zijn verslag van de indrukwekkende monomanie van de schrijver van de Recherche zijn makkelijke ironie.

De Correspondentie

De manier waarop Proust tot op het laatst toe geobsedeerd werd door zijn werk, komt heel duidelijk tot uitdrukking in het zojuist verschenen laatste deel van de Correspondance. Ondanks het feit dat hij zich voortdurend op zijn sterfbed waant, heeft Proust in 1922 meer dan 250 brieven geschreven. Ze gaan bijna allemaal over de voltooiing, de uitgave en de ontvangst van zijn werk, en de talloze problemen die zich daarbij voordoen: zijn gezondheidstoestand, de vermeende nalatigheid van zijn uitgever Gallimard, en het onbegrip van zijn publiek dat, zo het zijn werk al bewondert, dat om de verkeerde redenen doet en dat, als het het afkeurt, uiteraard al helemaal niet deugt. Prousts rituele klachten over zijn kwalen worden door hun herhaling en overdrijving waarschijnlijk niet altijd serieus genomen door de geadresseerden die dit soort ontboezemingen al jarenlang moeten aanhoren. Bovendien geeft Proust er zelf vaak ook een ironische wending aan. Zo schrijft hij aan Cocteau: “Ik heb het afgelopen jaar voortdurend op sterven gelegen, en ben waarschijnlijk dichter bij de dood geweest dan de paus, en ik denk dat als ik het vege lijf nog heb weten te redden, dat komt doordat ik niet omringd wordt door kardinalen.”

De gedachte aan wat er zal worden van zijn literaire nalatenschap, boezemt hem afschuw in. Aan Sydney Schiff, een Engelse bewonderaar, schrijft hij: “Ik vind het geen aangename gedachte dat een willekeurig iemand zich met mijn manuscripten zal mogen bemoeien, en ze zal mogen vergelijken met de definitieve tekst en daar conclusies uit zal trekken over mijn manier van werken die altijd onjuist zullen zijn.”

De Amerikaanse bezorger, Philip Kolb, heeft de uitgave van dit deel van de Correspondance, de bekroning van een onderneming die zestien jaar heeft geduurd, niet meer meegemaakt. In een frappante navolging van de schrijver waaraan hij alle onderzoeksinspanningen van zijn lange leven heeft gewijd, heeft Kolb nog wel de drukproeven ervan tot op enkele dagen voor zijn dood op 85-jarige leeftijd in november 1992 gecorrigeerd.

    • Manet van Montfrans