Het woord: moest

Als je een buitenlander Nederlands leert, dan leer je zelf ook veel over het Nederlands. Zo had ik een Afrikaan verteld dat de verleden tijd van Je moet is: Je moest.

Je moet dus een s in het werkwoord frommelen om de verleden tijd te krijgen. Even later zei mijn leerling:

"Ik ontmoest mijn vrouw in Casablanca.'

Even dacht ik dat hij me voor de gek hield. Maar hij meende het. Als, zo redeneerde hij, de verleden tijd van moet moest is, dan is de verleden tijd van ik ontmoet ik ontmoest. Maar dat moest ontmoette zijn!

Een kind van drie jaar kun je "ik moette' horen zeggen.

Als, zo redeneert dat kind, de verleden tijd van het varken wroet is: het varken wroette, van ik stampvoet: ik stampvoette, van opa groet: opa groette en van de toeter toet: de toeter toette, dan is de verleden tijd van ik moet: ik moette. Maar dat moet moest zijn!

Wat zeg je als leerling of kind je vragen waarom het moest moet zijn, maar ontmoette en stampvoette?

Zeg je: "Wie geen hoed op had, die hoest, wie woedend was geworden, die is woest, en roest is oude roet'?

Nee, dat zeg je niet. Je zegt eerlijk: "Wij doen dat zo om het moeilijk te maken. Een telefoon en een fiets zitten logisch in elkaar, maar de Nederlandse taal niet. Wij willen dat het moeilijk is om onze taal te leren. Daarom is de verleden tijd van moet: moest.'