Het beperkte repertoire van meesterdenker Cioran; De toekomst van cyaankali

E.M. Cioran: Bittere syllogismen. Vert. Huug Kaleis. Uitg. Arbeiderspers, 159 blz. Prijs ƒ 35,-

E.M. Cioran: Bréviaire des vaincus. Vert. Alain Paruit. Gallimard (Coll. Arcades, nr. 31), 113 blz. Prijs ƒ 19,35

Zwartgalligheid heeft geen goede pers. Ze verdraagt zich niet goed met de daadkracht die het Westen als zijn grootste deugd beschouwt. Wie vooruit wil, moet geloven: in de toekomst, in de goede aarde en de nieuwe mens, en niet in de laatste plaats in de vooruitgang zelf.

De Frans-Roemeense denker Emil Cioran weigert dat categorisch. Het woord "vooruitgang' is hem een vloek, de hoop op een volmaakte wereld een gevaarlijke ijdelheid. Dat maakte hem tientallen jaren lang een marginaal denker, te tegendraads om door meer dan een handvol mensen te worden gelezen. Totdat het communisme aan zijn eigen lichtende toekomst bezweek en de droom van een maakbare samenleving ernstige averij opliep. Sindsdien geldt hij als een nieuwe meesterdenker, in Frankrijk, in Duitsland en niet in de laatste plaats in zijn geboorteland Roemenië.

In Nederland verscheen negen jaar geleden zijn boek Geboren zijn is ongemak. Het werd geen overrompelend succes. Een aangekondigde tweede vertaling bleef jarenlang op de plank liggen, maar nu is Bittere syllogismen (verschenen in 1952, herzien in 1980) dan toch uitgebracht, in de hoop dat de tijd rijp is.

Misschien was ze dat altijd al voor een scherpzinnig en in zijn bondigheid meesterlijk aforisme als: “Het scepticisme is een prikkel voor jonge beschavingen en de schroom van de oude.” (In feite is Cioran nog radicaler; hij schrijft: de prikkel. Ook kan het lidwoord bij "scepticisme' in de vertaling worden gemist). Maar wie laat zich verleiden door iemand die zegt te geloven "in het heil van de mensheid, in de toekomst van de cyaankali...'?

Het is dit meedogenloos en op den duur nogal vermoeiende pessimisme dat de toon van de bundel zet en dat Cioran eerder tot het negatieve evenbeeld dan tot de antagonist van de moderne heilsdoctrines maakt. In zijn afwijzing van het bestaan is hij even radicaal als zij in hun bezige en bazige omarming ervan, even doctrinair en even onuitgebalanceerd. Op zijn beste momenten leidt dat tot een lucide blik op de gang van de geschiedenis, die nog altijd luistert naar de wet van de sterkste, een thema dat hij vooral in zijn essaybundel Histoire et utopie uitwerkte. Op zijn slechtste momenten leidt het tot tapkast-kwinkslagen van het type "De mensheid scheidt onheil af' of "In deze "grote slaapzaal', zoals een Taoïstische tekst het universum noemt, is de nachtmerrie de enige wijze van helder denken.'

Een tiental boeken lang tamboereerde Cioran na de Tweede Wereldoorlog op deze gemelijke trom, tot hij in 1988 een punt achter zijn publikaties zette. Hij had "het universum wel voldoende belasterd', vond hij. Wel verschenen sindsdien Franse vertalingen van zijn Roemeense jeugdwerk, en inmiddels is men aan de niet-uitgegeven teksten toe. Bréviaire des vaincus bevat werk dat Cioran in de oorlogsjaren op zijn Parijse hotelkamer schreef.

Wonderlijk genoeg is het zijn gelukkigste boek. Hij jubelt over Parijs ("Deze stad begrijpt je!'), waar hij nog maar kort woont, in de scherpste bewoordingen afgezet tegen de Balkan, "waar de aarde even vilein is als de mensen, en de natuur bloeit op kadavers'. Hij mijmert over de kommerloze kalmte zoals men die in tuinen vindt, over bloesems, lommer en fruit en over de weldadigheid van de Mediterrane wereld, die hij kort daarvoor, op lange fietstochten over het Franse land, moet hebben ontdekt. Maar dat boek was hem nog te "lyrisch' en tientallen jaren bleef het vergeten in de la liggen. De eerste bundel die hij na de oorlog publiceerde - hij schreef inmiddels in het Frans - had een nurkser toon en daarbij passende titel: Korte leer van ontbinding. De jubel kwam nooit meer terug; wat bleef was een lucide kribbigheid die ondanks haar briljante momenten maar zelden aanstekelijk wordt, omdat haar kritiek - alles is ijdelheid, leegte en vergeefsheid - zo'n beperkt repertoire heeft. Het grootste ongemak van het pessimisme is waarschijnlijk zijn monotonie.

    • Ger Groot