Heimwee naar de kunstgeschiedenis; Kakofonie van stijlen in het Centre Pompidou

Voor de expositie Une histoire parallèle diepte het Centre Pompidou werk van bijna vergeten kunstenaars uit de depots op, en hing ze kriskras door elkaar in de zalen. Wat levert deze willekeurig lijkende greep uit de kunstproduktie sinds 1960 op?

Centre Georges Pompidou, Parijs. T/m 12 dec. Dag. behalve di 10-22u. Catalogus ƒ 80.

Wat gebeurt er als je als argeloze wandelaar de gebaande paden van de recente kunstgeschiedenis verlaat? Het is mogelijk dat je de wonderlijkste ontdekkingen doet en kunst tegenkomt die onterecht in de vergetelheid is geraakt. Maar de kans is groter dat je belandt in een jungle van woekerende kunststijlen waarin je eindeloos ronddoolt tussen onbegrijpelijke gevoelsuitingen in alle denkbare maten en kleuren.

De gangbare versie van de kunstgeschiedenis - een evolutie van stromingen, elk met een onwrikbare reputatie - staat al langere tijd ter discussie. De kunstgeschiedenis zou niet moeten bestaan uit een opeenvolging van louter hoogtepunten. Het Centre Pompidou in Parijs haakt nu in op de modieuze belangstelling voor de gelijktijdigheid van uiteenlopende kunstuitingen. Deze expositie, Une histoire parallèle, vormt een tweeluik met de vorig jaar in het Beaubourg gehouden tentoonstelling Manifeste, waarin een uitputtend chronologisch overzicht van de ontwikkelingen in de kunst vanaf 1960 werd getoond. Al het geëxposeerde was afkomstig uit de eigen collectie, die meer dan 6000 kunstwerken uit deze periode herbergt, van Nouveau Réalisme en Pop Art via conceptuele kunst naar de opleving van de schilderkunst in het laatste decennium.

Dit jaar is de opzet bescheidener, maar het geheel is moeilijker te beoordelen. Uit de depots zijn nu namelijk werken opgedoken die zelden zijn getoond omdat ze niet als toonaangevend beschouwd worden. Een sympathiek streven, maar de expositie wekt vooral reminiscenties aan de depots van de BKR. Mindere goden als Jean Bazaine, Gaston Chaissac, Hans Hartung, Zoltan Kemeny, Joan Mitchell, Serge Poliakoff en Pierre Soulages betreden het podium. Dit zijn namen die je vaag bekend voorkomen, maar waar althans ik me dikwijls niet meteen een plaatje bij voor de geest kan halen.

Tegelijkertijd zijn er op de expostie stukken van beroemde kunstenaars te zien die in de jaren zestig al op leeftijd waren en dus niet meer tot de aanstormende generaties behoorden. Balthus, Giacometti, Picasso, Bacon, Miró en Dubuffet zijn omstreeks de laatste eeuwwisseling geboren en waren in de ogen van de vernieuwers van de jaren zestig dus geen 'modernes' meer. Toch waren de "anciens' nog volop aan het werk, en niet alleen om te herhalen wat ze al eerder hadden gedaan.

De Eerstgeborene onder alle exposanten is Pablo Picasso. Verbaasd herinner je je dat hij in 1881 werd geboren en dat het alweer bijna een eeuw geleden is dat de historische avantgarde zich begon te roeren. Picasso lijkt wel een man met zeven levens, want ook de hier getoonde laatste schilderijen van omstreeks 1970 zijn nog net zo vitaal en seksueel gepreoccupeerd als zijn vroege stukken. Misschien is het omdat hij niet valt in te delen bij een groep of stroming dat zijn werk een niet-gedateerde indruk maakt.

Overzicht

De oude mannen zijn in het Beaubourg in de minderheid - helaas. En opvallend genoeg worden ze bijna alle gerangschikt onder de meest traditionele noemer: 'de kunstenaar en zijn model'. De staf van het museum heeft namelijk wel een poging gedaan om ordening aan te brengen in deze kakofonie van stijlen en uitingen. Dat is jammer genoeg geen chronologische ordening, wat enig houvast gegeven zou hebben als je niet alleen genieën maar ook gewone kunstenaars toont. Misschien juist om te verbergen dat het hier om werken van mindere kwaliteit gaat, zijn de categoriën eerder verhullend dan verduidelijkend. Wat te denken van "het teken en het schrift', "figuratie/défiguratie', "het gebaar en de kleur', "de verrassingen van de geometrie'? Loze woorden.

Het gevolg is dat je in cirkels blijft rondlopen door het dozijn zalen en een stelsel van gangen dat is gevuld met een willekeurig lijkende greep uit de kunstproduktie tussen 1960 en 1990. Ik begon heimwee te krijgen naar de overzichtelijkheid en ordening die de gangbare opstellingen van zo'n periode kenmerken, heimwee dus naar het houvast van de kunstgeschiedenis.

Natuurlijk kun je wel een paar aardige ontdekkingen doen. In alle gevallen gaat het dan om eigenzinnige kunstenaars, Einzelgängers. Manessiers immense Christuskop uit 1962 bijvoorbeeld, geschilderd over vier luiken; Zoran Musics Nous ne sommes pas les derniers uit 1972, een apocalyptisch, Goyaesk beeld van drie wanhopige concentratiekampgevangenen; Henri Michaux' abstracte zwart-wit tekeningen waaruit landschappen opdoemen; een immens vierluik van Joan Mitchell in blauw en groen uit 1976 dat zowel aan Monets waterlelies herinnert als aan de kleurvlakken van Newman of Kelley; Simon Hantaïs gefrotteerde doek waarop duizend blauw-groene blaadjes ruisen; de late Dubuffets uit de jaren tachtig die krijttekeningen op een schoolbord lijken.

Het aardigste is het als een kleine meester het wint van een grote. De langwerpige lapjesdeken-mensen van de schoenmaker Gaston Chaissac (1910-1964) zijn door de dwangmatige ordening overtuigender dan de veel lossere "ik rotzooi maar wat an'-doeken van de iets oudere Jean Dubuffet (overigens wijnhandelaar van beroep) die er tegenover hangen. De twee kenden elkaar goed, ze hebben zelfs gecorrespondeerd.

Kitsch

Maar dit soort verrassingen is te dun gezaaid in Beaubourg. Veel van het gebodene is een echo van Cobra, kinetische kunst of post painterly abstraction en dat is gewoon saai. Je kunt niet nalaten te denken: niet voor niets op de achtergrond geraakt... Zoals Pierre Soulage's brave kwaststreek in zwart, of het roestvrijstalen kinetische beeld van Nicolas Schöffer dat vreselijk gedateerd oogt. Het kitschgehalte in Parallèles is hoog, niet alleen bij Zao Wou-Ki's doek in avondluchtkleuren. Picasso heeft dat effect eens krachtig en een beetje malicieus als volgt samengevat: "Je vindt iets uit, en dan komt er een andere kunstenaar langs en die maakt het na, maar dan mooi.'

Als de chronologie dan zo nodig losgelaten moest worden, had men hier maar het lef gehad om een esthetische nevenschikking te maken, in de trant van Rudi Fuchs' zaalinrichting. Dan was het oog tenminste beloond voor alle moeite. Maar in het Centre Pompidou wil men twee dingen tegelijk, en wat mij betreft sluiten die elkaar uit: èn de bijfiguren een plaatsje binnen de kunstgeschiedenis verschaffen, en de ordening in tijd en stromingen van diezelfde kunstgeschiedenis van de hand wijzen. Ik zou liever een expositie gezien hebben van louter oude mannen in hun nadagen. De kunstgeschiedenis is dood? Leve de kunstgeschiedenis!

    • Renée Steenbergen