Gebrombeer van Pol Hoste; Een nar met een maagzweer

Pol Hoste: Ontroeringen van een forens. Uitg. Prometheus. 184 blz. Prijs ƒ29,90.

De flaptekst van Ontroeringen van een forens, de nieuwe bundel van Pol Hoste, begint met de openingszinnen uit de titelnovelle. Je verwacht dan dat dat meeslepende zinnen zouden zijn: ze moeten lezers tot kopen aanzetten. Maar nee. Ik lees ze een tweede keer, een derde keer. Ik begrijp ze niet. Ik zal ze u voorleggen: "Het is geen ingelijste pentekening - forens wachtend op trein - die me weerspiegelt, maar een besneeuwde bergtop achter glas. Het eerste licht plooit de nacht. Er blijft een zwart trapezium met lichtreclames over, mijn ogen tranen.'

Een beetje editor had hiervan bijvoorbeeld gemaakt: "Ik sta op het perron. Een Zwitserland-affiche weerspiegelt me.' Je begint een boek toch niet te zeggen wat iets niet is, en vervolgens met amper duidelijk te kunnen maken wat het dan wel is?

Het eerste licht plooit de nacht: plooien? Ik moet eens wat vroeger gaan opstaan. En wat betekent in godsnaam dat zwarte trapezium? Kijkt hij misschien tussen twee dan wel erg scheefstaande huizen door? Kortom: een nog beter editor had de hele alinea eruit gegooid en de complete daarop volgende bladzijde, en hem vervolgens een nieuw begin laten schrijven, drie keer opnieuw, tot het goed was.

Ik vertel dit omdat ik toevallig weet dat Hoste van een andere uitgever te verstaan had gekregen dat zijn manuscript erg de moeite waard was, maar dat het een klein beetje geëdit moest worden. Hoste heeft niets meer van zich laten horen, en is naar Prometheus gestapt, waar men, aan deze tekst te zien, weinig moeite heeft met editing. Ik vind dat jammer omdat ik Hoste eigenlijk een knap, cynisch, wars en dwars, totaal niet voor het normale leven toegerust schrijver vind, een soort nar, maar dan een met een maagzweer, bij wie ik vaak in de lach schiet, en intussen blij ben dat hij die maagzweer in mijn plaats wil hebben.

Ik vind het vooral jammer omdat ik zijn boek uiteindelijk toch geamuseerd heb uitgelezen. Maar ja, hoe kan ik de lezer daar, na deze inleiding, nog van overtuigen?

De vraag is: waarom begint Hoste een novelle moedwillig zo onbegrijpelijk? Omdat hij een drempel wil inbouwen, om alleen de echte lezers over te houden? Uit masochisme? Omdat hij zichzelf niet begrijpt, en dus zeker niet zou willen dat de lezer dat in zijn plaats doet?

De eerste tekst in dit boek heet "Een schrijver die geen schrijver is'. Hoste heeft van het tijdschrift Raster de vraag voorgelegd gekregen waarom hij schrijft, en antwoordt daar met jeugdherinneringen op, en met ouderhaat (zie zijn vorige boek Een schoon bestaan) en met krachtige samenvattingen zoals "hij is dan geslachtsrijp, leert Latijn, krijgt acné en schrijft gedichten'. Daartussendoor krijg je vele voorlopige, maar spannende definities te lezen: "Ik begon met schrijven zoals ik met praten ben begonnen: omdat ik wilde zingen.' Of: "“Schrijft ge nog?” Eigenlijk vroeg men of het bijna gedaan was met bedwateren.'

In de tweede tekst, de titeltekst, beschrijft Hoste lukraak wat hem als treinreiziger door het hoofd schiet. Dat levert vele leuke en, zoals gezegd, soms ook onvolgbare associaties op. Als het erom gaat om zoiets als een stream of consciousness realistisch weer te geven, mag dat, vind ik. Maar het is helemaal niet zo'n stream. Eigenlijk schrijft Hoste gewoon op wat hem achter zijn schrijftafel bruikbaar lijkt om door het hoofd van een zichzelf-achtig treinreiziger te laten gaan. Onbegrijpelijkheid hoort daarbij, want die is des levens.

Medepassagiers lijken een aantal bladzijden lang op romanpersonages, voor je in de gaten krijgt dat Hoste een naaldhakvrouw tegenover hem in de coupé gewoon een biografie toedicht, die hij kan wijzigen zoals het hem uitkomt.

Zo zit deze novelle vol versplinterde verhalen, altijd onaf, over de clichés van andermans levens, en over zijn eigen autobiografie die evenmin buiten die clichés kan, moeilijke jeugd, moeilijk huwelijk, onduidelijke echtscheiding. Het wordt niet verteld, het wordt een beetje intraveneus in de tekst ingespoten. Dat alles vanuit de vraag wie hijzelf in godsnaam is, en eigenlijk ook vanuit de vraag waarom hij dit opschrijft. Het hele boek zou je kunnen samenvatten als pakweg twintig tamelijk geestige antwoorden op de vraag 'Waarom ik bij god geen normaal verhaal kan schrijven.'

De running gag is dan dat hij het telkens toch probeert. Hij zegt een keer of vijf dingen in de trant van 'Ik kan me niet zo goed uitdrukken. Hoe moet ik het zeggen?' Om dan te vervolgen: 'Luister.' En dan komt er zo'n onaf verhaal.

Al deze verhalen hebben gemeen dat ze zich concentreren op de onnozele dingen des levens. Bijvoorbeeld: 'Ik kom thuis, duw het zweet uit mijn voorhoofd, pruts het vuil onder mijn nagels, spoel het stof van mijn lijf, pis, spuw, snuit, kak, trek mij af, scheer mij, was mij, doe schone kleren aan.

“Ge ziet er goed uit,” zeggen ze.

“Ik mag niet klagen,” zeg ik.'

Vervreemding. 'Ik ben niet wie ik ben. Dit is in elk geval mijn eigen leven niet. Waarom zou ik de man niet kunnen zijn die onderweg is uitgestapt?'

Je hebt schrijvers die zich specialiseren in zingeving, in de grote lijnen. Zij willen misschien te grote schrijvers zijn. Zij kijken vanuit de Acropolis van hun ideeën uit over de wereld.

Hoste gaat aan de achterkant van de Acropolis de vuilniszakken ophalen en snuffelt daar geïnteresseerd in. Hij zegt dan ook van zichzelf: 'Ik ben geen schrijver, die een schrijver is.' Misschien moet Mulisch eens wat meer Hoste lezen.

En vice versa. Want misschien wil Hoste toch tezeer geen schrijver zijn, met al zijn warsigheid. Misschien weigert hij daarom een editor. Dit boek had een nog beter boek kunnen zijn. Maar Hoste wil uitdrukkelijk géén beter boek. Hij wil zijn eigengereidheid, zijn sporadische onverstaanbaarheid. En zijn gebrombeer is vaak leuk. Over een overlijden citeert hij het doodsbericht 'ontslapen in de heer.' En voegt eraan toe: 'Men ontslaapt niet in een vrouw.' Op bezoek bij een dame, schrijft hij: 'Ik nam nog wat groente tot mij (tot wie anders?)' Er is in dit boek geen verhaal dat je wakker houdt, er is gelukkig ook geen verhaal dat je in slaap wiegt, maar gedurende het grootste deel van deze 184 pagina's houdt Hoste je uitsluitend met zijn korzeligheid wakker.

    • Herman de Coninck