Een vernietigend démenti

Pour Rushdie. Cent intellectuels arabes et musulmans pour la liberté d'expression. La Découverte / Carrefour des littératures / Colibri. 307 blz. ƒ 55,35

Eindelijk is gebeurd waar ik al meer dan vier jaar op heb gewacht: er is een boek verschenen waarin een honderdtal vooraanstaande schrijvers uit de Arabische en islamitische wereld te kennen geeft geen boodschap te hebben aan de fatwa van Ayatollah Khomeiny tegen Salman Rushdie, volgens welk iedere gelovige Islamiet het recht of zelfs de plicht heeft de schrijver van De duivelsverzen te vermoorden.

Dit nieuws ontleen ik aan Libération van 7 oktober (zie ook NRC Handelsblad d.d. 8 oktober), waarin de achtergronden van dit initiatief worden beschreven. De honderd bijdragen die in het boek zijn afgedrukt werden verzameld tussen oktober '92 en juni '93; onder de medewerkers zijn de dichters Adonis en Abbas Baydoun (Libanon), Tahar Ben Jelloun (Frans-Marokkaan), Edward Saïd (Palestijn), Tchinguiz Aïtmatov (Kirghies), Adelwahab Meddeb en Fehti Benslama (Tunesië), Nedim Gürsel en Aziz Nesin (Turkije), Naguib Mahfouz (Egypte), Nabile Fares (Algerijn), Marshid Amir-Shahy (Iranese), Aziz Al-Azmeh (Syrië), Salim Barakat (Syrische Koerd), Tayeb Salih (Soedan) en vele anderen wier namen de meeste Europeanen weinig zeggen maar die representatief heten te zijn voor de intellectuele elite van het Midden-Oosten.

Een publieke stellingname als deze was bepaald achterstallig. Zojuist is er weer een aanslag op een van Rushdies uitgevers gepleegd; sinds het afkondigen van deze fatwa (14 februari 1989) zijn er al bijna vijftig mensen vermoord, alleen in Turkije al meer dan veertig. Ik ben in een mohammedaans land geboren en opgegroeid en heb de islam nooit als vreemd of uitheems, laat staan als barbaars ervaren; maar ook ik ben van mening dat onomwonden en zonder eufemismen moet worden erkend dat de oproep iemand te vermoorden barbaars is - niet naar "beperkte', "etnocentrische' of "typisch Westers vooringenomen' opvattingen, maar naar op het ogenblik overal aanvaarde maatstaven. Wanneer er dan na zo'n oproep in de islamitische wereld zelf niet een golf van verontwaardiging ontstaat geeft dat de indruk dat er in die wereld geen fatsoenlijke mensen bestaan.

Die indruk werd helaas nog versterkt door het gemak waarmee televisieploegen er in de meeste Europese steden in slaagden drommen moslims te vinden die De duivelsverzen weliswaar niet hadden gelezen, maar niettemin bereid waren voor de camera hun instemming met de fatwa te betuigen, hun vuisten te schudden, het boek te verbranden en huiveringwekkende taal uit te slaan, zonder de indruk te maken daar speciaal voor te zijn geselecteerd of te handelen uit angst voor represailles.

Nu is het niet waar dat er helemaal geen reactie was; er kwam al snel een door enkelen ondertekende petitie (met de aanhef: "Wij zijn allemaal Salman Rushdies'), en ook enkele Iranese opposanten lieten van zich horen, maar zoals ook in het artikel in Libération wordt opgemerkt "was de stilte in de mohameddaanse en arabische wereld opmerkelijk'.

Sommige schrijvers die hebben bijgedragen aan het boek zijn zich daar ook van bewust en proberen er een verklaring voor te geven. “Sinds lang”, aldus de Libanese dichter Abbas Baydoun, “heeft de grote meerderheid van "liberals' en links, arabisch en mohammedaans, zich bij de Rushdie-affaire niet betrokken gevoeld. Deze auteur schrijft immers in een vreemde en dus, wanneer het over het arabisch en islamitisch erfgoed gaat, verdachte taal. Op de schrijver rust dezelfde verdenking als op de westerse orientalisten in het algemeen: vertegenwoordigers te zijn van een koloniale mentaliteit en dito arrogantie.”

Kogels en messen

Deze onbetrokkenheid, die Baydoun als "een regressie' bestempelt (ik volg hier de tekst uit Libération), drukt volgens hem uit “hoe diep de ontreddering is bij teleurgestelden van links, leeghoofdige liberals en snobistische niet-geestelijken”; de intellectuelen hebben “alles wat de godsdienst en de geschiedenis van de islam betreft uitsluitend aan de geestelijkheid overgelaten” met het gevolg dat “de mollahs zich met alles bemoeien; zij bepalen hoe kunstwerken en beeldspraak moeten worden uitgelegd en ze maken geen onderscheid tussen daad en geschrift, zodat het (-) toelaatbaar wordt op geschriften te antwoorden met kogels en messen.”

Rushdie wordt in de oosterse wereld gezien, schrijft de Syriër Aziz Al-Azmeh, als "een verrader vervuld van zelfhaat'.

Zelfhaat is een bekende kreet in situaties waar kritiek op de eigen groep bestreden wordt met de beschuldiging van "de vijand in de kaart spelen'. Die vijand is dan helaas weer het Westen, met de betreurenswaardige consequentie dat beginselen van democratie en mensenrechten kunnen worden voorgesteld als ondermijnende westerse ideeën, vijandig aan de eigen volksaard, ongeschikt voor landen met een andere (bijvoorbeeld islamitische) cultuur en wat dies meer zij.

Het ergste is dat er in het Westen altijd weer mensen klaar staan om daar mee in te stemmen of er in hun ijver nog een schepje bovenop te doen. Zo waren er ook in Nederland verlichte geesten die de fatwa tegen Rushdie "best begrijpelijk vonden, vanuit die mensen hun standpunt'. Ook tegen hen is het nu verschenen boek een achterstallig maar nog steeds vernietigend démenti, een welverdiende klap in het hypocriete gezicht.

Wat ook kracht verleent aan de strekking van het boek is dat bijna alle schrijvers die gevraagd werd zich uit te spreken (er zijn zo te zien geen Indonesiërs bij) daar ook gehoor aan hebben gegeven; sommige zonder terughouding en andere met slagen om de arm, maar geweigerd hebben er maar twintig. Dat is weinig, in aanmerking genomen dat de fundamentalisten de laatste tijd in de meeste Islamitische landen een grootscheepse terreurcampagne hebben ontketend tegen verwesterde schrijvers en andere ontaarde intellectuelen; deze zijn sindsdien hun leven niet meer zeker en verschillende zijn al daadwerkelijk vermoord, zoals de Egyptenaar Farag Foda en de Algerijnse schrijver Tahar Djaout. Aan die terreurcampagne is tot dusver in het Westen bedroevend weinig aandacht besteed, zoals Flora Lewis nog kort geleden hartstochtelijk betoogde in de International Herald Tribune (ook verschenen in de Volkskrant van 11-9). Dit terrorisme wordt trouwens als een direct gevolg van de fatwa tegen Rushdie gezien. “Met Rushdie”, schrijft een van de medewerkers aan het boek (de Algerijn Rabah Belamri), “hebben de Iranezen een waarschuwing gegeven aan het adres van iedereen die hoopte de islamitische samenleving uit het theologische tijdvak te heffen.”

Rushdie zelf heeft ook gereageerd. In een open brief aan Libération betuigt hij zijn dank en vestigt er de aandacht op dat het niet allemaal bewonderaars van De duivelsverzen zijn die het voor hem op hebben genomen en dat dat is zoals het hoort: “zij die het boek mooi hebben gevonden verdedigen de tekst op een manier die mij ontroert, maar ook zij die dat niet doen hebben zich desondanks hartgrondig geëngageerd; geen schrijver kan beter verwachten van zijn critici.”

Dit moge intussen ook de juiste betekenis illustreren van het begrip geëngageerd, dat de laatste tijd vaak wordt behandeld als iets verachtelijks, vooral door een paar columnisten, die zelf nooit thuis zijn wanneer het nodig is zich duidelijk uit te spreken voor of tegen iets.

Ik hoop dat dit boek goed zal worden verkocht; laat het geboefte niet kunnen zeggen dat er in het Westen geen belangstelling voor was.

    • Rudy Kousbroek