Een kerk moet mysterieus zijn, een gevangenis verschrikkelijk; Het sadistische classicisme van de 18de-eeuwse architect Ledoux

De achttiende-eeuwse architect Claude-Nicolas Ledoux bouwde aanvankelijk met veel animo voor de Franse koningen; na de Franse revolutie ontpopte hij zich als een echte "vriend van het volk'. De door hem ontworpen stad Chaux zou iedereen in een beter mens veranderen. De stad is in het klein te zien in het Musée Ledoux. In het groot is dit ideaal nooit verwerkelijkt.

Musée Ledoux. In: Saline Royale d'Arc et Senans. Geopend: dagelijks 10 -17 uur. Toegang: FF 25,- Vanaf Besançon gaan een bus en een boemeltreintje naar Arc-et-Senans. Telefoon Fondation Ledoux 09-33 8154 4500.

De gedachte dat architectuur de wereld kan verbeteren is niet meer zo in de mode. Met het verdwijnen van het geloof in de maakbaarheid van de samenleving hebben ook architecten veel van hun pretenties verloren. Er zijn er vast nog wel die stilletjes denken dat ze met hun gebouwen de mensen wat gelukkiger kunnen maken, maar van gelukbrengende steden, zoals Le Corbusier en de Russische constructivisten die droomden, wordt weinig meer vernomen. Men zou dan ook verwachten dat de belangstelling voor de Franse architect Claude-Nicolas Ledoux (17361806), een van de grondleggers van het bouwkunstige wereldverbeteringsgeloof, tanende is. Zoals weinig politici Marx nog aanhalen, zo zou ook Ledoux tegenwoordig minder populair moeten zijn. Maar niets minder waar: de Marx van de architectuur is nog steeds geliefd. Nog maar twee jaar geleden werd in het Franse dorp Arc-et-Senans, 30 kilometer ten zuidoosten van Besançon, zelfs het Musée Ledoux geopend. Het is niet het enige museum dat aan het werk van één architect is gewijd - Karl Friedrich Schinkel bijvoorbeeld heeft in Berlijn ook zijn eigen museum - maar het is wel het mooiste. Zestig stralend witte, gedetailleerde maquettes van plexiglas, variërend in schaal van 1 op 50 tot 1 op 500, geven er een voorbeeldig overzicht van Ledoux' oeuvre.

Ook de ideale stad Chaux, waaraan Ledoux zijn reputatie als revolutie-architect heeft te danken, is in het museum in het klein aanwezig. Jarenlang heeft Ledoux zich beziggehouden met zijn ideaal. Chaux moest een stad voor goede mensen worden, of beter gezegd: de stad zou de bewoners in goede wezens veranderen. In het "panarèthéon' zou de bevolking onderwijs in deugden krijgen en de gebouwen zelf riepen met stichtende teksten op hun muren letterlijk op tot een goed en rechtvaardig leven, een verschijnsel dat later in de communistische landen zijn hoogtepunt zou beleven. Gevangenissen waren dan ook overbodig; conflicten werden bijgelegd in de kubusvormige "pacifère', waar een wijze arbiter de "verzoenende rechtvaardigheid tussen redelijke burgers' zou praktizeren. Ook ziekenhuizen waren niet nodig. Badhuizen met geneeskrachtig water zouden ziekten voorkomen. Het enige gevaar was te duchten van vreemdelingen. Die werden bij aankomst ondergebracht in het "hospice', een sociaal filter waar ze één nacht moesten blijven en werden ondervraagd. De goeden mochten de volgende dag doorreizen, de kwaden werden te werk gesteld in de fabrieken.

Aan alles dacht Ledoux in zijn ideale stad. Hij ontwierp tot in de kleinste details een kerk, een begraafplaats, een beurs, een markt, een monument voor de vrouw, scholen, boerderijen en allerlei huizen voor verschillende soorten arbeiders, ambachtslieden, kunstenaars en notabelen. Vertier konden de bewoners van Chaux vinden in de grote parken, in het "huis der spelen', een soort gokpaleis, en in de "oikèma', een groot bordeel met een plattegrond in de vorm van een fallus.

Zoutfabriek

Toch was Chaux niet helemaal een luchtkasteel. Als centrum en bestaansgrond van zijn prachtstad nam Ledoux namelijk de Saline Royale, de zoutfabriek die hij in de jaren 1774-1778 in opdracht van koning Lodewijk XV bouwde in Arc-et-Senans. Ledoux beschouwde de fabriek, die eigenlijk een afzonderlijk dorpje vormde, als een van zijn hoofdwerken. Nu, in 1993, is de Saline het grootste van de weinige overgebleven werken van Ledoux' omvangrijke oeuvre. Na het staken van zoutproduktie in 1895 leek het erop dat ook de fabriek zou sneuvelen. Omstreeks 1920 was de Saline vervallen tot een ruïne, maar zestien jaar later begon de restauratie van de elf gebouwen. Hoewel die nog steeds niet helemaal is voltooid en alleen het exterieur in oorspronkelijke staat is hersteld, is het dorpje nu onder meer een museum van de verdwenen zoutindustrie. Het staat dan ook op de wereldmonumentenlijst van de UNESCO en is zelfs in verkleinde vorm terechtgekomen in Mini-Europa, de Europese versie van Madurodam in Brussel.

Het is merkwaardig dat Ledoux zijn ideale stad rondom zijn Saline wilde bouwen. Zo lieflijk en pastoraal als Chaux moest worden, zo grimmig en onverbiddelijk is het zoutdorp. Dat begint al met de strenge, dreigende toegangspoort: achter acht stoere Dorische zuilen gaat een grot schuil, gemaakt van zandstenen cyclopenblokken, alsof hier de ingang van de onderwereld is. Wie de grot durft door te gaan, komt oog in oog te staan met het directeursgebouw van de koninklijke zoutfabriek dat in grimmigheid nauwelijks onder doet voor de onderwereld. Hier heerst stalen tucht, willen de zuilen met hun blokken en cilinders zeggen, niets ontgaat de directeur, elke kostbare zoutkorrel wordt geregistreerd. De suggestie van de alomtegenwoordigheid van de directeur wordt nog versterkt door de vorm van het ommuurde zoutdorp. Aan weerskanten van het directeursgebouw staan de twee zoutdrogerijen en de poort en de arbeidersonderkomens staan opgesteld in een halve cirkel met het directeursverblijf als passerpunt en alziend oog.

Voor het alziende oog hoeft men nu niet meer bang zijn. Waar eens de directeur om zich heen spiedde, is nu een ruimte voor wisselende tentoonstellingen. En waar eens smokkelende zoutarbeiders werden opgesloten, bevindt zich nu een boekhandel. De onderkomens van de arbeiders doen dienst als restaurant en vergaderzalen voor conferenties en in het voormalige verblijf van de tonnenmakers is het Musée Ledoux gevestigd.

Het museum is ingericht door de Engelse architectuurhistoricus Anthony Vidler die twee jaar geleden Ledoux. Architecture and Social Reform at the end of the Ancien Régime publiceerde, een schitterend boek dat waarschijnlijk wel voor altijd het standaardwerk over de Franse architect zal blijven. Vidler koos voor een theatervorm, niet verrassend voor wie weet dat hij hierin een belangrijk thema in Ledoux' werk ziet. Links en rechts van de ingangshal, waarin ook al een klein houten theater is gebouwd, staan de maquettes opgesteld op eikehouten treden in de iets gekromde ruimte. Zo is het Musée Ledoux niet alleen een museum in een museum, maar ook een theater in een theater geworden. Want ook de Saline zelf kan met zijn halfronde vorm worden opgevat als een theater van de zoutproduktie.

Opportunist

Inhoudelijk is de opzet van het museum eenvoudig. In de ene zaal staan Ledoux' ontwerpen van voor de Franse Revolutie, de landhuizen, de theaters, de herenhuizen en de Saline Royale. In de andere zaal staan de maquettes van zijn utopie. Over deze laatste ontwerpen is veel te doen geweest. In 1977 werd Ledoux postuum beschuldigd van bedrog door de Franse architectuurhistoricus Bernard Stoloff in het boek L'Affaire Ledoux. Autopsie d'un mythe. Ledoux probeerde volgens Stoloff na 1789 in het gevlij te komen bij de revolutionairen door ze voor te spiegelen dat hij altijd het beste met het volk had voor gehad maar was tegengewerkt door de adel en het hof. Als bewijs hiervoor ontwierp hij zijn ideale stad, waarvan hij etsen liet maken die hij wilde publiceren. Pas in 1804 lukte het hem de ontwerpen, begeleid door een moeilijk te volgen tekst over architectuur, filosofie, recht, politiek en economie, uit te geven onder de titel L' Architecture considerée sous le rapport de l'art, des moeurs et de la législation. Het was toen eigenlijk al te laat, Ledoux had nog maar twee jaar te leven.

Maar na zijn dood bereikte Ledoux' boek wel het beoogde effect en latere generaties gingen in hem een sociaal bewogen architect zien. Volgens Stoloff gaat het om een mythe: in werkelijkheid bekommerde Ledoux zich vóór 1789 helemaal niet om de arbeiders en het volk. Zo vielen eens wegens de slechte ventilatie van hun vertrekken vier koks flauw bij feestelijkheden in het immense, door Ledoux ontworpen en in de negentiende eeuw afgebroken huis van Madame Dubarry, de gunstelinge van koning Lodewijk XV.

Er is wel wat voor Stoloffs beschuldiging te zeggen. Voor de Franse revolutie was Ledoux inderdaad een gevierd hofarchitect die in 1784 als kroon op zijn werk de opdracht kreeg om een nieuwe muur en tolhuizen rondom Parijs te bouwen. De muur, die voor nieuwe inkomsten van koning Lodewijk XVI moest zorgen, leverde hem de haat van de Parijse bevolking op. “Le mur murant Paris rend Paris murmurant”, was een gezegde uit die tijd. Nog voor de bestorming van de Bastille gingen dan ook al verschillende tolhuizen in vlammen op - van de 45 zijn er nu nog maar vier over met de Barrière de la Vilette als mooiste en grootste.

Wat het hoogtepunt van Ledoux' carrière had moeten worden, werd de oorzaak van zijn val. Na de revolutie kreeg hij nauwelijks opdrachten meer en op 29 november 1793 werd hij zelfs gevangen genomen. Het Comité Revolutionnaire ontmaskerde de architect als "een persoon die voor de dood van de tiran ontegenzeggelijk koningsgezind was en nu wil getuigen van zijn patriottisme door te keuvelen met patriotten.' Waarschijnlijk op voorspraak van collega-architecten als Étienne-Louis Boullée werd Ledoux op 13 januari 1795 vrijgelaten. Later deed hij zijn arrestatie af als een misverstand: “Ik werd in mijn werk onderbroken... De nationale bijl werd geheven, ze schreeuwden om Ledoux, maar dat was niet ik, mijn geluksster leidde het: het was een doctor van de Sorbonne met dezelfde naam. Ongelukkig slachtoffer! Ik ga verder.” Ledoux loog volgens Stoloff: in de gevangenis werd hij niet onderbroken, maar maakte hij een juist een nieuw begin. Hier nam zijn nieuwe project een aanvang, de ideale stad die moest bewijzen dat hij altijd een revolutionaire architect en vriend van het volk was geweest.

Toch is Stoloff te streng in zijn oordeel. Zeker, Ledoux was een opportunist, geeft Anthony Vidler toe in zijn boek, maar het werken voor de koning sloot het ontwerpen van utopieën niet uit. In het Frankrijk van de Verlichting wemelde het ook ten tijde van Lodewijk XV en XVI van de hervormingsplannen voor de economie en politiek en Ledoux' ideale stad paste hierin. Vidler twijfelt er dan ook niet aan dat Ledoux al tijdens de bouw van de koninklijke zoutfabriek het idee voor Chaux kreeg en toen de eerste ontwerpen ervoor maakte. De zoutfabriek kende trouwens ook al idealistische trekjes: zo waren alle arbeidersvertrekken voorzien van collectieve ruimtes die, zo hoopte Ledoux, de gemeenschapszin zouden bevorderen.

Martelingen

Ledoux' utopie mag dan op zichzelf niet bijzonder zijn, de vormgeving ervan is dat wel. Ook hiermee begon Ledoux al lang voor de revolutie. Van zijn leermeester Jean-François Blondel leerde hij dat het karakter van een gebouw in overeenstemming met zijn functie moest zijn: een kerk moet mysterieus zijn, een overheidsgebouw groots, een gevangenis verschrikkelijk en een kerkhof droevig. Maar terwijl Blondel met zijn karaktervoorschriften keurig binnen de regels van het classicisme bleef, doorbrak Ledoux ze met opzet, zodat zelfs een leek zonder kennis van de classicistische regels een gebouw kon beoordelen aan de hand van de emoties die het bij hem opwekte. “Ledoux behandelde de klassieke traditie als een soort taal”, schrijft Vidler. “Hij sneed bijna letterlijk in de samenstellende delen ervan en formuleerde met de losse elementen alsof het evenzovele woorden waren.” Quatremère de Quincy, classicist en tijdgenoot van Ledoux, noemde zijn werk martelingen. Voor hem was Ledoux "de Markies de Sade van de architectuur die het classicisme aan stukken scheurde met het genot van de beul.'

Voor Ledoux' ontwerpen vonden de critici het begrip "architecture parlante' uit. De Saline Royale en de Parijse barrières zijn inderdaad sprekende gebouwen. Streng, mannelijk en beslist moesten ze zijn, vond Ledoux, en dat zijn ze ook. Zelfs nu, gewend als we zijn aan allerlei postmoderne grappen en grollen, doen ze vreemd aan met hun gedrongen zuilen, ongewone verhoudingen en opeenstapelingen van robuuste geometrische vormen. Maar het hoogtepunt van zijn "architecture parlante' had toch de ideale stad Chaux moeten worden: hier zouden de vatenmakers wonen in een vatvormig huis, de rivieropzichters in een cilinder waar de rivier doorheen stroomde en begraven zou men worden in een reusachtige bol. Iets treurigers bestond volgens Ledoux niet, de holle bol was "een beeld van het niets, een representatie van het sublieme.'

Mode

Dat er zo weinig over is van Ledoux' oeuvre, ligt niet alleen aan de Franse revolutie maar ook aan het gebrek aan waardering ervoor in de negentiende eeuw. De schrijver Victor Hugo verwoordde in 1832 de heersende mening toen hij schreef dat Ledoux de architectuur had gereduceerd tot "het bottige skelet van een uitgemergelde invalide'. Weinigen treurden dan ook om de afbraak van Ledoux' gebouwen.

Pas in de twintigste eeuw begon het tij te keren. Als eersten eisten de modernistische architecten hem op in de jaren twintig. Zij zagen niet alleen overeenkomsten tussen hun eigen architectuur en Ledoux' door geometrie beheerste ontwerpen, maar werden vooral aangesproken door zijn gedachte dat architectuur de wereld kon verbeteren. Chaux, waar alle gebouwen als eilanden in het groen lagen, beschouwden ze als een voorafschaduwing van hun eigen stedebouwkundige ideeën.

Even gemakkelijk werd Ledoux tientallen jaren later door de postmodernisten tot hun grootvader bestempeld. Zij koesteren hem als een architect die, net als zijzelf, het classicisme op een onconventionele wijze gebruikte om tot een begrijpelijke architectuur te komen. De Amerikaan Philip Johnson ging in zijn postmodernistische fase zelfs zo ver dat hij Ledoux' huis van de opvoeding in Chaux vrijwel kopieerde voor zijn College of Architecture van de University of Houston uit 1985.

En dan zijn er natuurlijk nog de critici die graag wijzen op de overeenkomsten tussen Ledoux' sadistische classicisme en de ongenaakbare nazi-bouwkunst van Albert Speer en Paul Ludwig Troost. Ze hebben allemaal evenzeer gelijk. Want net als het werk van elke waarlijk grote architect is dat van Ledoux zo rijk en veelomvattend, dat iedereen, van modernisten tot nazi's, er wel iets van zijn gading in aantreft. Ledoux blijft altijd in de mode.