De zwarten deden waar de blanken over fantaseerden; Jazz en de onzekerheid van de moderne stad bij Toni Morrison

Toni Morrison, aan wie vorige week de Nobelprijs voor literatuur is toegekend, heeft de zwarte Amerikanen verschillende diensten bewezen. In haar belangrijkste romen, "Jazz', keerde ze de verhoudingen tussen de blanke en zwarte wereld om. Ze rekende af met een sentiment dat de zwarte Amerikanen een halve eeuw in de ban hield: het zoeken naar de "roots'. De lichte, spottende, maar altijd liefdevolle toon maakt deze roman onweerstaanbaar.

Toni Morrison: Jazz. Vert. Nettie Vink. Uitg. Amber Prijs ƒ 19,90 / Engelse editie. Uitg. Picador ƒ 19,90 -: Beminde, Vert. Nettie Vink. Uitg. Bert Bakker Prijs ƒ 40,-

-: De hemelvaart van Solomon. Uitg. Van Goor. Prijs ƒ 19,90

Verwaarloosde mensen die in de wereld niets hebben in te brengen en zich daar ook niet toe geroepen voelen - zo zou je de personages van Toni Morrison kunnen typeren. Moederloze zielen als Joe Trace, huis-aan-huis verkoper van schoonheidsmiddelen, die een moord beging op zijn jonge geliefde om haar te behoeden voor de wreedheden die haar in de toekomst te wachten zouden staan. Huilend zwerft hij door de besneeuwde straten van Harlem, vragend om zijn welverdiende straf, maar er is niemand die hem in staat van beschuldiging stelt, omdat het dode meisje Dorcas te onbeduidend is voor een inspanning als gerechtigheid. Zijn vrouw Violet kijkt door het raam van haar appartement naar die kleine, treurige gestalte in het spookachtige schijnsel van de straatlantaarns en beseft dat ze hem voorgoed heeft verloren: "Can't rival the dead for love.' Verteerd door jaloezie gaat Violet naar de kerk waar het meisje ligt opgebaard. Met een mes valt ze het lijk aan, maar ze wordt door de omstanders uit de kerk gegooid.

Niemand in Jazz krijgt gerechtigheid, alles gaat straffeloos voorbij, wat wil zeggen dat in Toni Morrisons roman niets noemenswaardigs gebeurt. Er is een daad en er is een motief, voor de rest zijn er enkel de herinneringen van mensen in de periferie van het bestaan. Overtollige schepsels met onbetekenende gedachten, alledaagse ervaringen, banale gevoelens en nietige verlangens. Maak daar maar eens een mooi boek van en win er dan de Nobelprijs mee.

Want ik betwijfel of Toni Morrison de prijs ook voor de rest van haar oeuvre heeft gekregen. In de essays en romans die aan Jazz voorafgaan klinkt nog de stille verbittering van een schrijfster die naar de marges van de samenleving werd verbannen - net als al haar personages eigenlijk. Toni Morrison kent nog de tijd vóór de burgerrechtenbeweging, toen ze als zwarte vrouw niet alle winkels in mocht en niet op alle banken in het park mocht zitten. Het is dus begrijpelijk, die verkropte woede, maar ze mist verleidingskracht. Verontwaardigde personages roepen deernis op, en betrokkenheid, maar geen fascinatie. Ze dwingen je niet tot emotionele overgave, ze kunnen je niet meeslepen in hun ordeloze denkwereld waar je je na een tijdje behaaglijk in voelt, als een dans die je ineens onder de knie hebt.

De karakters in Jazz missen die verbittering. Ze missen iedere platvloersheid, en ze worden zo levensecht geschilderd dat je ze soms een klap in het gezicht zou willen geven om ze bij zinnen te laten komen en ze vervolgens omhelzen uit spijt dat je ze pijn hebt gedaan. Hun gedachtengang is je even bekend als hun lichaamsgeur en je weet dat ze soms raar doen, dat ze plotseling midden op straat gaan zitten bijvoorbeeld, of een baby proberen te stelen. Maar ze doen die dingen niet, lijkt het, de dingen overkomen hen. En dat allemaal in een taal die steeds weer de juiste proportie zoekt, die elk melodramatisch gegeven op zijn waarde schat. Als Violet wanhopig wordt van het verdriet van haar man en daarop besluit de identiteit van zijn overleden minnares te achterhalen, om zo "het mysterie dat liefde heet te ontrafelen', zegt de vertelster er laconiek bij: "Good luck and let me know.'

Het is deze lichte, soms spottende, maar altijd liefdevolle toon die Jazz zo onweerstaanbaar maakt. Zoals A House for Mr. Biswas van V.S. Naipaul onweerstaanbaar was. Ook Naipaul wist ons mee te slepen in de kleine levens van vreemde figuren, hindoes op Trinidad, en ook hij wist te bereiken dat we om ze konden lachen en van ze gingen houden. Zin geven aan zinloze mensen, hen voelbaar en kenbaar maken, dat is misschien wel het hoogste wat je in de romankunst kunt bereiken. Onbeschermde en onontwikkelde mensen worden door deze romanciers met zoveel tederheid weer gegeven, dat hun emoties de onze worden: de essentiële emoties die universeel zijn. Zulke verhalen brengen de periferie onrustbarend dichtbij, sterker: het is alsof wij ineens perifeer zijn en zij in het middelpunt staan. Dat is wat Jazz voor de zwarte Amerikanen heeft gedaan. Ooit werd Toni Morrison verdreven naar de marges van de literaire wereld, de wereld van kleurlingen en migranten, ver buiten de gevestigde canon. Met Jazz heeft ze de verhoudingen omgekeerd.

Er is nog een andere dienst die Toni Morrison de zwarte Amerikanen heeft bewezen, die misschien wel zwaarder weegt. Jazz speelt zich af in de jaren twintig, toen de trek uit het zuiden naar het noorden van de Verenigde Staten op gang kwam. Vrij letterlijk namen de zwarten afstand van de racistische haternij die aan de slavernij ten grondslag had gelegen en die was blijven voortwoeden onder de vroegere slavenbezitters. Men liet niet alleen de afgrijselijke lynchpartijen achter zich, maar ook de landelijke cultuur, die zo voorspelbaar en zo beklemmend was. Joe en Violet raakten niet verliefd op elkaar, ze vielen elkaar min of meer in de schoot. In een hilarische scène over de eerste ontmoeting slaapt Violet onder een boom waar Joe plotseling uit valt. “Nooit eerder gebeurd”, zegt hij terwijl hij opstaat, “alle nachten heb ik daar boven geslapen, voor het eerst val ik eruit.”

Hoezeer Joe ook hield van het bos en het platteland, de gedachte dat er een plaats bestond waar je niet zelf naar het water toe hoefde, maar het water naar jou toekwam, liet hem niet los. Een plaats waar je geld kon verdienen door louter behulpzaam te zijn: een deur openhouden voor een blanke bijvoorbeeld, een pakje ophalen, schoenen poetsen, eten op een dienblad rondbrengen. Met duizenden anderen trokken Joe en Violet naar de stad, om als stakingsbrekers te worden ingezet en te worden ondergebracht in kleine, donkere en veel te dure kamers in wat later het grootste negergetto ter wereld werd.

Maar zoals Toni Morrison het zegt: “I like the way the City makes people think they can do what they want and get away with it.” Hier in de stad werd het leven niet beheerst door het saaie ritme van de seizoenen, maar door het ritme van de jazz: “The dirty, get-on-down music which made you do unwise disorderly things. Just hearing it was like violating the law.”

De stad was de plek waar je jezelf vond, omdat je alleen op jezelf was aangewezen. Waar de individualiteit mogelijk werd, waar je je omgeving kon negeren zolang je het je kon veroorloven, en waar je de mogelijkheid kreeg om iets van je leven te maken en met meer te eindigen dan waarmee je geboren was. Voor de meesten was dat meer droom dan werkelijkheid, omdat de stad ook stond voor troosteloze eenzaamheid en armoede. Maar het was armoede in stijl. Zoals blijkt uit de passage waarin de vertelster een man en een vrouw in een donkere steeg gadeslaat: “He tilts her chin up. Her grip on her purse slackens and her neck makes a nice curve. The man puts his hand on the stone wall above her head. By the way his jaw moves and the turn of his head I know he has a golden tongue.”

De stad gaf stijl, elegantie, sensualiteit, spanning, onzekerheid, raffinement, perversiteit, gevaar, geweld en sensatie. De moderne stad maakte een leven mogelijk dat de zwarten nooit eerder hadden gekend, niet in het continent waar ze vandaan waren gehaald, en niet in het gebied waar ze gedwongen werden in slavernij te leven. Maar ze veroverden de moderniteit met een soepelheid en een gemak die iedereen verbijsterde, ook hen zelf. Alsof ze nooit anders hadden gedaan, alsof het moderne leven hen op het lijf was geschreven en zonder hen nooit mogelijk zou zijn geweest - wat in zekere zin ook het geval was - eigenden ze zich een cultuur toe die de omgeving in totale verwarring achterliet. Terwijl de blanke burgerij van Amerika schoorvoetend deelnam aan de nieuwe stedelijke vrijheden, met strenge restricties op drank en seksualiteit, leefden de zwarten zich uit in danszalen en illegale kroegen, in bordelen en gokhuizen, en trokken zij de aandacht van kunstenaars en schrijvers die jaloers merkten dat de zwarten daadwerkelijk deden waar zij over fantaseerden: drinken, vrijen, vechten en sterven. F. Scott Fitzgerald, William Faulkner, Somerset Maugham, Salvador Dali, Helena Rubinstein en de totale Parijse avantgarde kwam in de jaren twintig naar Harlem om de moderniteit in werking te zien. De chaos, de frisheid, de gedrevenheid. Ze noemden het jazz, naar de muziek die de zwarten toen speelden, maar ze bedoelden er een levensstijl mee. Nooit is die levensstijl zo intens en zo fijnzinnig beschreven als in dit boek van Toni Morrison.

Maar Toni Morrison heeft met Jazz meer gedaan: in dezelfde beweging heeft ze afgerekend met een sentiment dat de zwarte Amerikanen een halve eeuw in de ban heeft gehouden - en waar zij ook zelf aan heeft bijgedragen, in haar politieke essays en eerdere romans. Ik bedoel het zoeken naar "roots', naar wortels in een eigen traditie, een vroegere zuiverheid die door de blanke slavendrijvers werd bezoedeld. Veel zwarte auteurs zijn zover gegaan in dit nostalgische verlangen naar een rein en onbesmet verleden, dat zij noodzakelijkerwijs de nieuwe verworvenheden hebben veronachtzaamd. Jazz daarentegen is juist een vlucht uit de traditie in de richting van al wat versneden en gemeleerd is. Het is een feest waarin culturen dooreen worden geroerd alsof het drankjes waren, en dat is naar mijn gevoel een nauwkeuriger beeld van de Afro-Amerikaanse levensstijl: het is de minst zuivere en meest vermengde van alle Amerikaanse stijlen, en daarom juist zo herkenbaar Amerikaans.

Haar boek lijkt trouwens meer te weten dan zij; Toni Morrison zegt ergens: "Niemand weet precies wat jazz betekent en ook nu nog gebruikt iedereen de term zonder de wortels ervan werkelijk te begrijpen.' Ik durf te beweren dat het een innerlijke tegenspraak is, "de wortels van jazz'. Wat jazz ook is, het is niet iets met wortels. Jazz is juist het meest ontwortelde, het meest dynamische, sprankelende en flamboyante van alle cultuuruitingen die we in deze eeuw voorbij hebben zien komen. Jazz is de vaardigheid om te improviseren, te verbinden en te associëren, en dus per definitie onzuiver, vermengd en troebel.

Als Jazz al iets betekent dan is het de verstedelijking en het genieten van het moderne en het verrassende. Jazz staat, zoals iemand al opmerkte, lijnrecht tegenover blues, dat wil zeggen: tegenover het trieste en droefgeestige van het platteland.

Met Jazz bewijst Toni Morrison dat de eigenwaarde van gekleurde mensen niet ligt in een verloren gegaan verleden, maar in een bereikbare toekomst, waar we de eerste klanken al van kunnen horen. In deze deprimerende tijden van rassewaan en etnische zuivering is dat een aangename, hoopvolle boodschap. Maar het gaat Toni Morrison gelukkig niet om deze boodschap, anders was Jazz nooit geworden wat het is.

    • Anil Ramdas