De paradox van de prijs: geweldsgolf in Z-Afrika

JOHANNESBURG, 15 OKT. Welke vrede? Menig Zuidafrikaan zal zich vandaag die vraag stellen. In de zwarte townships zal vanavond het automatisch geweervuur weer opklinken. De blanken verschuilen zich achter hoge muren, vertrouwend op de tanden van de pitbull en de waakzaamheid van de beveiligingsindustrie. Op de televisie zullen ze zien hoe de staatspresident en de staatspresident-in-spe samen de Nobelprijs voor de vrede 1993 is toegekend.

Het is de paradox van deze prijs. Frederik Willem de Klerk (57) en Nelson Rolihlahla Mandela (75) hebben sinds ze in februari 1990 begonnen aan hun gewaagde avontuur van nationale verzoening veel bereikt, maar geen vrede. Meer dan 10.000 mensen verloren sindsdien het leven in "politiek geweld', en een veelvoud daarvan stierf in "crimineel geweld'. Zuid-Afrika werd het meest gewelddadige land ter wereld.

De mensen die in hun naam optreden zijn soms allerminst vredelievend. Een week geleden werden vijf zwarte jongeren tussen 12 en 19 jaar in Transkei doodgeschoten door het Zuidafrikaanse leger, dat met goedkeuring van De Klerk een vermeende terroristische basis aanviel. Mandela's oproepen tot vrede en tolerantie sijpelen vaak niet door naar beneden. Deze week werd een lokale ANC-leider van het krottenkamp Phola Park veroordeeld tot 21 keer levenslang voor evenzovele moorden op politieke tegenstanders.

Maar de toekenners van de Nobelprijs hebben verder gekeken dan de doden van vandaag. Het is een beloning voor de politieke moed van twee leiders, die hun land hebben weggeplukt van de rand van de afgrond en in een explosieve situatie proberen een multiraciale democratie te scheppen. Natuurlijk komt er kritiek, vooral op prijswinnaar De Klerk. De ANC-jeugdliga riep Mandela na de aanval in Transkei al op een eventuele vredesprijs met De Klerk niet te accepteren.

Veel zwarten zien De Klerk als de meesterhand achter het geweld tegen zwarten, een theorie die door het ANC en Mandela keer op keer is gevoed. Maar Mandela wees het advies eergisteren op bezoek in Parijs van de hand: “De prijs zou een erkenning zijn dat De Klerk en de leider van het ANC proberen onze politieke situatie te normaliseren en onze mensen zover te krijgen om in vrede samen te leven.”

Deon Geldenhuys, hoogleraar politieke wetenschappen aan de Randse Afrikaanse Universiteit, noemt de houding van Mandela “grootmoedig”. “Het past in de compromisgeest van deze tijd. Dit is de hoogste vorm van internationale erkenning voor wat De Klerk en Mandela bereikt hebben. Het afschaffen van de apartheid was op zichzelf al een grote bijdrage tot vrede.” De Nobelprijs past in de Zuidafrikaanse goed-nieuws-show van de afgelopen weken.

Pag.5: De prijs is binnen, nu nog de vrede in Zuid-Afrika

Zo werd overeenstemming bereikt over een overgangsbestuur van zwart en blank en kwam er een einde aan de internationale sancties tegen Zuid-Afrika. Geldenhuys: “Ik ben sceptisch over het praktisch effect van de prijs. Dit zal geen beleggers naar Zuid-Afrika brengen. Maar het is een erkenning voor het proces dat hier aan de gang is en een aanmoediging om het voort te zetten”.

Gevangene Mandela en president De Klerk ontmoetten elkaar voor het eerst in december 1989 in de Victor Verster-gevangenis. Ze waren in die situatie beland als opponenten in de strijd tussen het blanke Afrikaner nationalisme en het zwarte Afrikaanse nationalisme, die Zuid-Afrika ruim veertig jaar had verlamd. De strijd was onbeslist. Beiden beseften dat ze elkaar nodig hadden om een uitweg te vinden in het Zuidafrikaans conflict.

Sinds De Klerk op 2 februari 1990 in zijn historische toespraak tot het parlement het einde van de apartheid, de legalisering van het ANC en de vrijlating van Mandela aankondigde, zijn ze twee dansers op hetzelfde koord, afhankelijk van elkaars bewegingen. Soms dreigden ze eraf te vallen; op cruciale momenten - zoals na de moord op ANC-voorman Chris Hani, in april, toen een groter raciaal conflict opdoemde - hielden ze elkaar en het land in evenwicht. Het ontbreken van een alternatief houdt hen in balans: De Klerk kan niet terug naar de apartheid, Mandela kan niet terug de bush in voor de gewapende strijd.

Hun levensloop is het verhaal van twee politieke werelden. Toen "Frikkie' de Klerk in 1936 werd geboren, als zoon van een minister in de Nationale Partij, ging Nelson Mandela naar de zwarte universiteit van Fort Hare om rechten te studeren. Daar kreeg de telg uit een aristocratisch geslacht in wat nu het thuisland Transkei is zijn politieke scholing in de studentenbeweging. De Klerk zou later voor zijn rechtenstudie de Afrikaner universiteit van Potchefstroom kiezen. In 1961 begon De Klerk als advocaat in het plattelandsstadje Vereeniging.

Mandela, opgeklommen tot leider in het non-raciale Afrikaans Nationaal Congres, leefde inmiddels een geheim bestaan op onderduikadressen, op de vlucht voor de Zuidafrikaanse politie. Hij besefte dat geweldloos verzet tegen het steeds harder optredende apartheidsbewind geen zin meer had en richtte de gewapende vleugel Umkhonto we Siszwe op.

Als "de zwarte Pimpernel' kreeg Mandela mythische proporties. De politie vond hem uiteindelijk toch. In 1962 werd hij voor het eerst veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf, twee jaar later tot levenslang wegens hoogverraad. Hij verdween naar Robben Eiland en zou uiteindelijk 27 jaar in de gevangenis doorbrengen.

In die tijd maakte De Klerk een gestage opmars door het Afrikaner establishment. In 1972 werd hij gekozen tot lid van het blanke parlement voor Vereeniging, zes jaar later kreeg hij zijn eerste van een reeks ministersposten. Mandela liet zich intussen maar niet wegwensen. Hij werd een symbool van het zwarte verzet, gesteund door vrijwel de gehele wereld, bezongen door popmuzikanten.

Terwijl De Klerk in het midden van de jaren tachtig de progressieve universiteiten in Kaapstad en Johannesburg dreigde met stopzetting van de staatssubsidie, opende de regering de gesprekken met gevangene Mandela. Hij ontving ministers in zijn cel en kwam begin 1989 zelfs voor een ontmoeting met president P.W. Botha naar diens residentie in Kaapstad. Mandela herinnert zich hoe Botha zelf de thee inschonk. Tot vrijlating kwam het niet, vanwege de voorwaarde die de president stelde: Mandela moest vooraf definitief de gewapende strijd afzweren.

Dit gestolde conflict trof De Klerk aan, toen hij tot verrassing van velen in september 1989 als Transvaalse partijleider werd gekozen tot opvolger van de zieke Botha. De Klerk stond bekend als een conservatief binnen de Nationale Partij, die altijd de "gescheiden ontwikkeling' van bevolkingsgroepen had gepropageerd en nooit was betrapt op verlichte denkbeelden. Mensen in zijn naaste omgeving wisten dat De Klerk ook flexibel kon zijn, een zoeker naar het compromis, met een natuurlijk kompas voor de middenberm. Zijn broer Willem de Klerk, een progressieve Afrikaner, noemt zijn broer in het boek F.W. de Klerk, The man in his time, eerlijk, ontspannen en kalm in moeilijke situaties. De president vindt zijn “kracht in gewoonheid”, zijn vader hield hem thuis altijd het Nederlandse levensmotto voor: “Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg”.

Niemand, ook zijn broer Willem niet, zag in hem de man die de koers van de Afrikaner politiek radicaal zou omgooien. Er is veel gepsychologiseerd over religieuze motieven, een inzicht van hogerhand. De werkelijkheid is aardser. De beslissing om de apartheid af te schaffen was een pragmatische. De Klerk zag in dat de apartheid economisch een doodlopende weg was geworden. Hij wilde de pariastatus van Zuid-Afrika in de wereld opheffen. Hij wist dat de val van het communisme de belangrijkste bondgenoten van het ANC had doen verdwijnen. En hij wist dat hij Nelson Mandela nodig had.

Velen zagen het gedwongen huwelijk in het begin te romantisch: alsof de twee verlossers van Zuid-Afrika elkaar hadden gevonden. Het was een ontkenning van de complexe sociale en politieke werkelijkheid. De partijen die zij vertegenwoordigden en de gepolariseerde samenleving die zij hadden geërfd moesten Mandela en De Klerk wel met elkaar in conflict brengen. Aanvankelijk spraken zij lovend over elkaar. Mandela noemde De Klerk “integer”, De Klerk Mandela “een man met een geweldige stijl”. De botsingen in de loop der jaren, politiek soms noodzakelijk om de achterbannen tevreden te houden, bracht de relatie terug tot een niveau van wederzijds respect zonder warmte.

De scherpste confrontatie had plaats in december 1991, in de eerste vergadering van de Conventie voor een Democratisch Zuid-Afrika. Mandela vroeg aan het slot het woord. Niemand wist wat hij ging zeggen, ook de ANC-delegatie niet. Eenmaal op het katheder opende hij de aanval op De Klerk persoonlijk, die hem had beschuldigd een afspraak over het beëindigen van de gewapende strijd niet te zijn nagekomen. Mandela keek zijn opponent recht aan en sprak hem vijftien minuten lang ijzig toe. “Zelfs het hoofd van een niet-legitiem, in diskrediet gebracht minderheidsregime als het uwe heeft zekere morele normen in acht te nemen. Als een man naar een conferentie als deze kan komen en politieke spelletjes kan spelen zoals u heeft gedaan, dan wil men niets met hem te maken hebben”, zei Mandela. De Klerk kromp achter de regeringstafel ineen. Binnenskamers zou hij later zeggen dat hij het moment als een afschuwelijke vernedering had ervaren.

Er waren meer publieke aanvallen over en weer. Mandela deed het vaker dan De Klerk. De oorzaak was vooral het geweld in de zwarte woonoorden, dat Mandela onder enorme druk van zijn aanhang plaatste om geen zaken meer te doen met de regering, die immers in zijn eigen woorden “niet om zwarte levens geeft”. Steeds meer mensen zijn gaan geloven in de theorie van het ANC dat rechtse elementen in politie en leger, die tegen de politieke hervormingen zijn, de regie hebben over de aanvallen met machinegeweren op onschuldige zwarte burgers, door daders die nooit worden opgepakt.

De bloedbaden hebben de meeste schade toegebracht aan de relatie tussen Mandela en De Klerk, die volgens de ANC-leider te weinig heeft gedaan om het moorden stop te zetten. Vorig jaar vergeleek Mandela het geweld tegen zwarten in Zuid-Afrika zelfs met de moord op de joden door de nazi's. In één adem stelde hij De Klerk persoonlijk verantwoordelijk.

Heeft Mandela alles gedaan om vrede te bereiken? Hij pleit op elke politieke bijeenkomst voor vrede, politieke tolerantie en verzoening tussen de bevolkingsgroepen. Hij heeft op doorslaggevende momenten het belang van de natie boven dat van het ANC gesteld. Maar hij is er niet in is geslaagd vrede te sluiten met Inkatha-leider Mangosuthu Buthelezi.

Ondanks hun bijeenkomsten met mooie slotverklaringen, hebben het ANC en Inkatha hun politieke strijd niet kunnen beslechten. Van de drie keer gemaakte afspraak om gezamenlijk de door geweld geteisterde gebieden in Natal en rondom Johannesburg te bezoeken, is niets gekomen. Het heeft niet alleen de oorlog tussen de organisaties doen voortduren, maar ook Buthelezi van het politieke centrum vervreemd. Inkatha's alliantie met rechtse blanken is nu de grootste bedreiging voor het welslagen van een Grote Coalitie in Zuid-Afrika. De prijs voor zijn twee rivalen kan de licht geraakte Buthelezi nog onbuigzamer maken.

De Klerk en Mandela hebben nu nog duidelijker dan tevoren de zegen van de wereld. Die steun komt op een goed moment, want ze staan voor de grote proef. De komende weken moeten het ANC en de regering proberen de onwillige conservatieve alliantie, die schermt met de mogelijkheid van een burgeroorlog, mee te krijgen in de plannen voor een democratisch bestel. Daarna moet bij de verkiezingen nog blijken of ze voor het historisch compromis voldoende aanhang kunnen krijgen. De Klerk is veel van zijn blanke ondersteuners onderweg kwijtgeraakt. Het zijn twee belangrijke voorwaarden voor een stabieler Zuid-Afrika. De prijs is binnen. Nu de vrede nog.