De keizer heeft pech; zijn tolk is weg

Wat vooraf ging: Gerrit, de poes van mijn vriend Jan, verdwijnt spoorloos uit Dierenhotel Kroonjuweel. Terwijl we op de terugkeer van Gerrit wachten, arriveren er zonderlinge gasten in het hotel, zoals de keizer van Gozo, zijn knecht Knasper, een aantal keizerlijke dieren en een wit konijn dat in gezelschap blijkt te zijn van mijn eigen broer, die door het konijn tot secretaris is bevorderd.

De maan scheen en de sterren twinkelden. In Dierenhotel Kroonjuweel was het muisstil. Iedereen leek te slapen. Mijn broer en het witte konijn lagen samen in een heel groot ledikant. Het konijn zat op een hoofdkussen van zeegras te knikkebollen en naast hem lag mijn broer onder een donzen dekbed te slapen. De knecht Knasper was in de linnenkast gekropen. Hij sliep op de onderste kastplank onder een gebloemd tafelkleed. Zijn hoofd lag op een bergje zakdoeken waarop het monogram van de keizer van Gozo geborduurd was.

Omdat alle hotelkamers bezet waren, was mijn vriend Jan op de zolder van het dierenhotel in een hangmat gaan slapen. De hangmat met de slapende Jan hing boven de oude rommel die op de zoldervloer was verzameld. Ik zag dozen met geblokte hondejasjes voor dwergpoedels en Sint Bernhardhonden, hamster-draaimolens, een vergulde varkenstrog met de gebeeldhouwde varkenssnuit van de eerste muzikale big van de keizer van Gozo, Baby Bobbie, en ook een muizenstad met huisjes, trappetjes, bruggen, een bioscoopje, een kaasmarktje, een zwembadje en een glijbaan. Verder zag ik nog een zee-aquarium vol spinnewebben, een eetservies voor chimpansees van bananengeel rubber en een rieten mand met kattespeelgoed waarin tien namaakmuizen lagen.

Nadat ik de zoldertrap was afgedaald, opende ik voorzichtig de deuren van de hotelkamers waarin de troeteldieren van de keizer van Gozo overnachtten. De keizerlijke brilslang en de keizerlijke vlo bleken ook al op één oor te liggen. Het keizerlijke Tibetaanse hondje met de naam Groot Geluk, dat door Knasper uit zijn kamer was gezet, was op de gang gaan slapen waar hij zich had uitgestrekt op zijn fluwelen kussen.

Zelf was ik ook moe geworden en daarom ging ik in het overvolle dierenhotel op zoek naar een plek om te slapen. Terwijl ik in het donker door het hotel dwaalde, zag ik plotseling iets bewegen. Vlak bij me was een vreemd wezentje opgedoemd dat ik niet meteen kon thuisbrengen. Het wezentje waggelde zig-zag door de lange gang en af toe bleef het een poosje voor de deur van een hotelkamer staan, waarna het weer verder waggelde. Ik holde angstig naar het eind van de gang om het licht aan te doen. In het schijnsel van de lamp stond de keizerlijke papegaai. De vogel was kennelijk uit zijn kooi weggelopen. Het was duidelijk te zien dat de papegaai die avond veel te veel champagne had gedronken. Zijn kuif was helemaal verfomfaaid en hij keek bijzonder lodderig uit zijn oogjes. De papegaai begon ineens luidkeels te zingen in de doodstille gang: “Ik leer de keizer praten. Maar de keizer heeft niets in de gaten. De keizer noemt mij zijn tolk. Maar zijn tolk vliegt naar een wolk. De keizer heeft pech. Zijn tolk is weg. En wie spreekt er nu tegen zijn volk?”

Toen de papegaai was uitgezongen, deed ik vlug mijn sjaal af en gooide die over hem heen. De vogel was onmiddellijk stil. Daarna bracht ik de in de sjaal gewikkelde papegaai naar de zolder waar hij in de mand met namaakmuizen kroop en prompt in slaap viel. Tenslotte maakte ik voor mezelf een bed van de geblokte hondejasjes. En terwijl ik daarmee bezig was, hoorde ik Jan vanuit de hangmat met een slaapdronken stem zeggen: “Wat doe je toch met al die hondejasjes? Heb je zelf soms geen jas?” (wordt vervolgd)