De geschiedenis is niet door God in beton gezet; Gesprek met de Amerikaanse schrijver T. Coraghessan Boyle

T. Coraghessan Boyle brak in 1987 door met zijn roman World's End en is nu een van de opvallendste en produktiefste schrijvers van Amerika. Hij vindt dat zijn boeken moeten kunnen worden gelezen door tv-verslaafde "couch potatoes'. “Ik heb er altijd op gehamerd dat schrijvers nooit moeten vergeten dat kunst in de eerste plaats entertainment is, dat ook het grote publiek ervan moet kunnen genieten. Maar dat betekent niet dat de kunstenaar zich moet laten leiden door andermans smaak.”

T.Coraghessan Boyle: The Road to Welville. Uitg. Viking, 496 blz. Prijs ƒ50,40 (geb.). De Nederlandse vertaling wordt volgend jaar uitgegeven door Contact. The Collected Stories of T.Coraghessan Boyle. Uitg. Granta Books, 624 blz. Prijs ƒ35,85.

“Ik denk dat het je grondwettelijk recht is om in je jeugd de beest uit te hangen. Het geeft je bovendien iets om over te praten. Toen ik begon met publiceren, hoorde de pers niets liever dan verhalen over mijn wilde jaren - over mijn drinkende ouders, mijn vandalisme, mijn heroïneverslaving. Het was maar het topje van de ijsberg; ik was een Heel Stout Jongetje. Wat me veranderde in een Heel Braaf Jongetje was mijn wil om schrijver te worden. Hoewel we geneigd zijn om romantisch te denken over wildemannen als Ken Kesey en Jack Kerouac, geloof ik niet dat je groot werk kunt verrichten als je iedere avond stomdronken bent. En zo geschiedde het, op de twaalfduizendste achtereenvolgende nacht in een bar om vier uur in de morgen, dat ik, geradbraakt door een dag vol drugs, plotseling dacht: zit je hier over twaalfduizend nachten nog, of ga je eens wat verhalen schrijven? So I wrote some stories.”

T. Coraghessan Boyle (44) is in de afgelopen tien jaar uitgegroeid tot een van de opvallendste schrijvers van Amerika. Een van de produktiefste ook: sinds 1980 publiceerde hij niet alleen vijf dikke romans maar ook drie boeken met korte verhalen, die nu gebundeld zijn in de 600 pagina's tellende Granta-uitgave The Collected Stories. Zijn licht absurdistische, met vaart geschreven short stories, vol zwarte humor en Roald Dahl-achtige plots, maakten hem in de jaren tachtig tot een cultschrijver voor een publiek dat ook wel wat anders wilde lezen dan het "dirty realism' van schrijvers als Raymond Carver en Richard Ford. In de wereld van Boyle verkoopt een buitenwijkbewoner zijn ziel aan de duivel, vechten twee zwaargewichten om het wereldkampioenschap vraatzucht, en verhuist een survivalist uit angst voor de Bom naar landelijk Montana - om daar geterroriseerd te worden door zijn buurman. Boyle schrijft even makkelijk over president Eisenhower of de blueslegende Robert Johnson als over anonieme alcoholisten, en schrikt er in zijn romans niet voor terug om bekende historische figuren te voorzien van een verzonnen verleden.

Boyles doorbraak als schrijver kwam in 1987, met de historische roman World's End (Nederlandse vertaling: Duyvels End) die een jaar later de gezaghebbende PEN/Faulkner Award for American Fiction won. World's End, het verhaal van een gedoemd Nederlands geslacht in de Hudsonvallei, leek een Noordamerikaanse pendant van Honderd jaar eenzaamheid: humoristisch, generaties omspannend, geworteld in de natuur en geschiedenis van één bepaalde streek, en doortrokken van een pikzwart determinisme. Boyles beeld van New York ten tijde van de Nederlandse koloniale overheersing - de wereld van gouverneur Pieter Stuyvesant - was onvergetelijk.

Sinds World's End verschenen van Boyle nog twee romans: East is East (1990), over een Japanse immigrant die zijn Amerikaanse dromen ziet verdampen in de moerassen van Georgia, en de dit jaar verschenen satire The Road to Welville, waarin een hoofdrol is weggelegd voor John Harvey Kellogg, arts, gezondheidsgoeroe en uitvinder van de cornflake. Met beide boeken bereikte Boyle wat hij naar eigen zeggen het liefst wil: een zo groot en gevarieerd mogelijk publiek. “Literatuur is een sterk medium, veel spectaculairder dan film; een boek bestaat pas op het moment dat de lezer het pakt en er zijn eigen versie van maakt. Om zoveel mogelijk mensen die ervaring te geven, moet je romans schrijven zoals Dickens en Márquez: boeken waarop serieuze critici hun tanden kunnen stukbijten, maar die ook gelezen kunnen worden door tv-verslaafde couch potatoes. Eén ding heb je daar in ieder geval voor nodig: een goed verhaal.”

Ik ontmoet Boyle op de Frankfurter Buchmesse, waar hij de promotie verzorgt van de Duitse uitgave van The Road to Wellville. Zelfs temidden van de vele tientallen kraampjes van de verzamelde Duitse uitgeverijen is hij gemakkelijk te vinden: niet alleen is hij met zijn magere gestalte, het zilverwerk in zijn oor, zijn spiegelende blauwe bril en zijn duivelse sikje een opvallende figuur, hij is ook de enige persoon die omringd wordt door handtekeningenjagers. Als een volleerd popster signeert hij boeken en stapeltjes publiciteitsfoto's - even enthousiast als hij later bij een broodje ham in het persrestaurant (“ik rammel van de honger, uitgevers schijnen altijd te denken dat ik een soort hongerkunstenaar ben”) mijn vragen beantwoordt.

Tom Boyle - het "Coraghessan' voegde hij toe omdat zijn schrijversnaam anders zo saai zou zijn - noemt zichzelf een kind van de jaren zestig. Hij bracht zijn jeugd door in de buurt van de Newyorkse Kitchawank-kolonie, een socialistisch-anarchistische commune die nog een rol speelt in World's End. Zijn beste vrienden waren links, rebels en wild, "real punks': “We wisselden onderling even hard boeken en platen uit als drugs en politieke ideeën.” Serieus schrijver werd hij pas toen hij in het begin van de jaren zeventig stopte met drinken en van New York naar Iowa City verhuisde. Daar, aan de beroemde Writer's Workshop van de universiteit, leerde hij het vak van Raymond Carver en John Cheever - en van de honderden schrijvers die hij in zijn vrije tijd las. “Sommige schrijvers willen de wereld doen geloven dat ze sui generis zijn, beïnvloed door niemand. Zo ben ik niet. Ik ben een bewonderaar van duizenden helden.”

U bent geboren en getogen in het dal van de Hudson. Was u een ander schrijver geworden als u was grootgebracht in het Zuiden of aan de Westkust?

“Ik denk dat het niets had uitgemaakt. Waar ik ook was opgegroeid, ik zou altijd één ding gemist hebben: een duidelijke etnische identiteit. Ik was een saaie Amerikaan. Mijn familie had geen tweede taal, geen exotische keuken, geen rituelen - een heel verschil met mijn joodse en Italiaanse vrienden. Als beginnend schrijver was ik heel jaloers op iemand als Faulkner, wiens leven en werk verknoopt was met de cultuur en geschiedenis van één stukje Amerika. Ik had niet veel meer dan een grootvader die volgens mijn moeder van Hollandse afkomst was. In World's End heb ik geprobeerd om mijn geboorteplaats - en dus ook mezelf - een verleden te verschaffen; het was een denkbeeldige autobiografie. Ik was dan ook erg trots toen ik in een recensie de volgende zin las: "Wat Yoknapatawpha voor Faulkner was, en Macondo voor Márquez, dat is Peterskill voor Boyle'.”

Inmiddels woont u al jaren in Los Angeles. Is dat een vruchtbare omgeving voor een schrijver?

“L.A. wordt altijd gezien als een doodlopende weg voor schrijvers. Faulkner en Hemingway mislukten er, Fitzgerald ging er kapot. Maar zolang je de filmindustrie maar op een afstand houdt, is er niets aan de hand. Los Angeles is de meest kosmopolitische stad ter wereld - opwindend, overvol, vervuild, gevaarlijk en vol met gekken. Voor een satiricus is het een paradijs. Randy Newman wijdde zijn meest sarcastische teksten aan L.A. Nathanael West schreef er zijn Day of the Locust, waarin de stad wordt beschreven als de afvalbak van de Amerikaanse cultuur. Maar hoe cynisch West ook was, hij had zich nooit, zelfs niet in zijn wildste nachtmerries, kunnen voorstellen hoe L.A. er tegenwoordig uitziet.”

Boyle, wiens vroeger zo karakteristieke haardos dun en doorschijnend is geworden, praat snel en een beetje zangerig; hij onderbreekt zijn woordenstroom alleen om af en toe even te grinniken of een hap te nemen van zijn broodje. Als ik hem vraag of hij zichzelf als een satiricus beschouwt, antwoordt hij dat hij in zijn romans en verhalen graag de uitwassen van de Amerikaanse samenleving kritiseert: isolationisme, xenofobie, grootheidswaan, algemene onverschilligheid. Maar, haast hij zich te zeggen: “Er mag dan veel mis zijn met Amerika, there's a lot right with it too. Wie zoals ik een paar maanden in bucolisch Ierland heeft gewoond, weet dat hij nooit een expatriate zou kunnen zijn.”

Kan een schrijver met zijn boeken de samenleving veranderen?

“De beste schrijvers kunnen dat ongetwijfeld; fascistische regeringen zijn er in ieder geval erg bang voor. Boeken veroorzaken misschien geen revoluties, maar ze kunnen mensen doordringen van nieuwe gedachten, en zo de publieke opinie beïnvloeden. In een tijd die door commercie en reclame gedomineerd wordt, is het boek het enige medium dat je nog serieus kunt nemen. Bij de televisie worden de artistieke beslissingen gedicteerd door de adverteerders, bij de film door de smaak van het grote publiek. De meeste films in Hollywood worden niet eens meer door een echte regisseur gemaakt; soms filmen ze drie verschillende eindes en laten ze een groepje debielen bij handopsteking beslissen welk van de drie de bioscoop haalt. Dat is niet wat ik onder kunstenaarschap versta. Iemand moet de verantwoording nemen voor artistieke beslissingen, iemand moet de kans krijgen om fouten te maken.

“Ik heb er altijd op gehamerd dat schrijvers nooit moeten vergeten dat kunst in de eerste plaats entertainment is, dat ook het grote publiek ervan moet kunnen genieten. Maar dat betekent niet dat de kunstenaar zich moet laten leiden door andermans smaak. Als je je werk van te voren programmeert, of als je - zoals sommige yuppie-schrijvers - munt probeert te slaan uit the hipness of the moment, dan ben je een broodschrijver. Fictie moet organisch tot stand komen.

“Ik programmeer mijn plots nooit van te voren. Zelfs van mijn korte verhalen weet ik heel lang niet hoe ze af zullen lopen. En als ik aan een roman begin, heb ik niet meer dan een titel, een motto en een onderwerp. Zo had ik The Road to Welville al bijna af toen ik op het idee kwam voor het einde, de grote showdown tussen Dr. Kellogg en zijn verdorven adoptiefzoon in de kelders van het "Sanitarium' in Battle Creek. Pas op dat moment zag ik dat het gevecht temidden van de petrischaaltjes met excrementen en de vaten met pindakaas de perfecte pendant zou zijn van de prestigestrijd die Kellogg met George had geleverd toen hij hem net had geadopteerd.”

The Road to Welville is een satire op de Amerikaanse gezondheidsmanie. Waarom koos u John Harvey Kellogg als hoofdpersoon?

“Het idee voor Welville kwam van een vriend, die me attendeerde op Ronald M. Deutsch' The Nuts among the Berries, een hilarische geschiedschrijving van de reformbeweging in Amerika. Het boek zat vol met kleurrijke figuren: C.W. Post, die zijn ontbijtgranen aanprees met de slagzin "the road to Welville'; Horace B. Fletcher, "The Great Masticator', die geloofde dat de wereld beter zou worden als iedereen maar goed kauwde; Branson Alcott, die vasthield aan een dieet van water, appels en viergranenbrood, totdat de tanden van zijn vrouw uitvielen wegens kalkgebrek. Alleen al over deze drie hervormers had ik duizend pagina's kunnen volschrijven, maar ze vielen in het niet bij Dr. Kellogg, selfmade man en voorstander van vijf klisma's per dag - een typisch Amerikaanse confidence man met een groot gevoel voor spektakel. Zijn wekelijkse donderpreken tegen het vleeseten moeten iets geweldigs zijn geweest; vaak voerde hij ook nog een show op met een wolf die hij met harde hand vegetarisch had afgericht.

“Kellogg sprak me aan omdat hij het soort persoon is dat ik wantrouw; hij is de autoritaire figuur die zonder pardon je leven dicteert als je niet sterk genoeg bent om je dagelijkse angsten - voor ziekte, pijn en de dood - zelf te hanteren. Ik was gefascineerd door Kelloggs zelfverzekerheid, door zijn monomane verlangen om het leven van andere mensen te reguleren, gastronomisch correct te maken. Hij belichaamt een van de obsessies uit mijn jeugd, iets waar het in veel van mijn romans en verhalen om gaat: controlling the appetites. In Wellville laat Dr.Kellogg één kant van mijn karakter zien, de rigide beheersing; zijn onuitstaanbare zoon George vertegenwoordigt mijn anarchistische kant, de "wat-kan-het-mij-bommen'-mentaliteit.”

Dr. Kellogg is een historische figuur, maar de moord die hij pleegt in The Road to Welville is fictie. Kan een schrijver met historische personages doen wat hij wil?

“In mijn historische romans kan ik de harde feiten geen geweld aandoen: Dr.Kellogg is 91 geworden, ik kan hem dus niet op zijn 22ste laten overrijden door een paard en wagen. Maar binnen het raamwerk van iemands leven kun je je veel veroorloven. De geschiedenis is niet in beton gezet door God; geschiedenis is de herinnering, mondeling of schriftelijk, van mensen die onderhevig zijn aan vooroordelen en verkeerde interpretaties. Het is de taak van de romanschrijver om zich in de geest van zijn personages te nestelen, en er vervolgens mee op de loop te gaan. Voor mij is de geschiedenis het startpunt voor een fuga, een denkbeeldige reis door het verleden waarbij je steeds weer terugkeert naar de feiten.”

De tijd is om, Boyle moet terug naar de stand van zijn Duitse uitgever; vóór het avondeten wachten hem nog twee interviews en een signeersessie. Teruglopend over de immense binnenplaats van het beursterrein vraag ik hem of hij zich bij het schrijven van The Road to Wellville heeft laten beïnvloeden door Thomas Manns De Toverberg, de grootste sanatoriumroman. Hij vertelt dat hij het boek nooit in handen had gehad voordat Welville verscheen; maar toen hij het vorige week van een Oostenrijkse interviewer cadeau kreeg was hij er in begonnen. “De twee boeken hebben weinig met elkaar te maken. De personages van Mann zijn werkelijk ziek, die van mij denken alleen maar dat ze ziek zijn - of liever: er wordt ze verteld dat ze ziek zijn. Mann is ook veel zwaarwichtiger. Ik wilde een vrolijk boek schrijven over onze zwaktes, en over de angst voor de dood die maakt dat we ons bereidwillig onderwerpen aan louche gezondheidsprofeten. Dit soort pseudo-wetenschappen is pure religie geworden. Maar wat wil je? God is dood verklaard, dus wat hebben we nog over? Aerobics - aerobics en het brooddieet.”

    • Pieter Steinz