Cultuurschok in krimpende bond

SCHIEDAM, 15 OKT. Natuurlijk heeft Laura Robben, in de jaren tachtig een van de beste doelvrouwen van de wereld en nog steeds (al ruim 200 keer) uitkomend voor de nationale handbalploeg, wel eens gedroomd van een carrière in het buitenland. In Duitsland bijvoorbeeld, waar deze sport professioneel en op hoog niveau wordt gespeeld. Op haar niveau. Maar het is er nooit van gekomen, omdat clubs zich nu eenmaal liever met een veldspeelster versterken. En dus restte haar niets anders dan, zoals ze zelf zegt, “te leren omgaan met de situatie in Nederland”.

Die situatie wordt al jaren gekenmerkt door middelmatigheid en tegenvallende prestaties op internationaal niveau, zowel van de clubs als van het oranje-team. Vreemd is dat nauwelijks: waar in de toplanden speelsters al gauw twintig uur per week trainen, oefenden hun Nederlandse collega's tot de aanvang van dit seizoen niet meer dan circa zes uur. In de jaren zeventig was dat nog voldoende voor tot de verbeelding sprekende prestaties - Swift Roermond plaatste zich voor de finale van het toernooi om de Europa Cup 1 en de nationale ploeg deed mee aan het WK voor A-landen - maar anno 1993 is het volstrekt ontoereikend om zelfs Spanje en Portugal, waar Nederland niet zo lang geleden gemakkelijk van won, voor te blijven.

“Het is allemaal een kwestie van geld”, verzucht Robben. Geld dat er zowel bij het Nederlands Handbal Verbond (NHV) als de clubs nauwelijks is. De bond, die aan sponsorinkomsten jaarlijks ongeveer vier ton binnen krijgt, heeft al enkele jaren een bedrag van in totaal een kleine 600.000 gulden op de begroting staan voor de nationale vrouwen- en mannenploeg. In het verleden stond het NHV - in de ijdele hoop dat wat extra geld tot betere prestaties zou leiden - nogal eens oogluikend toe dat dat bedrag werd overschreden. Maar die tijd is nu, klinkt het streng uit de mond van een bestuurslid, definitief voorbij: mede door het gestaag teruglopende aantal leden (momenteel 650.000, ruim 350.000 minder dan tien jaar geleden) kan de bond zich geen enkel financieel risico veroorloven.

Oud-international Bert Bouwer, sinds 1 september bondscoach, wil ondanks de beperkte geldelijke middelen die hij tot zijn beschikking heeft een cultuurschok binnen het Nederlandse handbal teweeg brengen. Hij eist van zijn selectiespeelsters dat zij hun trainingsuren opvoeren door, naast de clubtrainingen, ook twee keer per week de centrale bondstrainingen bij te wonen. “Wie dat om wat voor reden dan ook niet kan opbrengen, komt niet meer uit voor het nationale team”, klinkt het resoluut. “Meer trainingsuren, dat is de enige manier om internationaal weer een beetje mee te kunnen doen. De tijd dat je met wekelijks zes uurtjes oefenen in Oranje kon staan, is voorgoed voorbij.”

Bouwer zou ook graag zien dat de clubs zelf meer trainingsuren gaan maken. Hij wordt daarin gesteund door zijn voorganger Ton van Linder, die dertien jaar de scepter over de nationale ploeg zwaaide en thans technisch coördinator van het NHV is. “De verenigingen in de hoogste afdeling profileren zich graag als topploegen in eigen land. En als je ze vraagt of ze vinden dat Nederland internationaal ook weer mee zal moeten doen, dan krijg je daar een positief antwoord op. Dan zeg ik: verbind daar dan ook conclusies aan en voer de trainingsuren op. Het is de enige manier”.

Verschillende clubs hebben volgens Van Linder al laten weten dat laatste te overwegen. Maar de 31-jarige Laura Robben heeft zo haar twijfels of het niet, zoals al vaker in het verleden, bij goede intenties blijft. En ook als dat niet het geval is, vraagt ze zich af, kunnen de speelsters het zelf opbrengen om - met als voornaamste vergoeding een onkostenvergoeding - meer tijd in hun sport te steken? Naast bijvoorbeeld een studie of, zoals zij, een werkweek van 37 uur? “Hoe gedreven Bouwer ook bezig is, je kunt het speelsters niet kwalijk nemen dat ze op een gegeven moment misschien toch bedanken voor tophandbal in Nederland. En in plaats daarvan voor een maatschappelijke carrière kiezen”.

Robben zou wel eens gelijk kunnen hebben, want opvallend is het wel dat sinds het WK-kwalificatietoernooi van eind vorig jaar in Litouwen negen speelsters hebben bedankt voor de nationale ploeg. Bouwer zegt niet te weten of dat verband houdt met zijn cultuurschok. Of hij wil het niet weten.