Atte Jongstra's grote geheugenlexicon; Woekeren met een lijk

Atte Jongstra: Het Huis M. Uitg. Contact, 364 blz. Prijs: ƒ 45,-.

Het lijkt me typerend voor Atte Jongstra, voormalig bestuurslid van het Multatuli Genootschap, dat hij in 1985 debuteerde met De Multatulianen: een boek dat niet aan Multatuli, maar aan zijn vereerders was gewijd. De ironische toonzetting ervan maakte duidelijk dat Jongstra zelf bepaald niet tot die blinde volgelingen gerekend diende te worden. Zijn bewondering geldt de stilist, de taalvirtuoos en niet speciaal de mens Multatuli die zijn lot verbond met dat van de Javaan.

Jongstra is niet het type van de geëngageerde schrijver, die zijn bekommernis uit over de medemens, de politiek, het milieu of de toestand in de wereld. Hij is om zo te zeggen geen activist, maar een lezer, die in zijn boeken liever een rondleiding geeft door een bibliotheek, dan te wijzen naar de wereld daarbuiten. Zijn boekerigheid, zijn voorliefde voor de pastiche, de verwijzing en het citaat, worden hem niet altijd in dank afgenomen. Want, zo vragen sommige kritische lezers zich af, wie is de vent die zich achter zoveel vorm verschuilt.

In het titelverhaal van de vorig jaar verschenen verhalenbundel Cicerone gaf Jongstra een uiteraard verhuld antwoord op die vraag. Hij liet een Christus-achtige figuur aan het woord, die doende was met zijn memoires, maar die niet van plan was zich daarin te beperken tot één identiteit. “Er zijn gelukkig altijd meer lezingen dan één. Ik geloof dat als me de tijd gegeven zou zijn, ik zelfs kans zou zien vier verschillende autobiografieën te schrijven. Alle even waarachtig!”

Zich niet laten kennen, dat is ook een van de oogmerken van de hoofdpersoon van zijn nieuwe roman Het Huis M. ”Memoires van een spreker', luidt de ondertitel. Spreken doet hij inderdaad volop, maar erg veel opheldering over zichzelf en zijn motieven verschaft hij niet. Murk van M., zoals hij zich uit privacy-overwegingen noemt, door de politie verdacht van de bloederige moord op een vrouw, probeert aannemelijk te maken dat hij onschuldig is. Dat is, kort gezegd, waar de roman over gaat. Het lijkt een simpele opdracht; het lijk is immers al half vergaan als Murk het aantreft in zijn nieuwe huis. Maar al snel verliest hij de greep op zijn eigen herinneringen en begint het geschuif en gemanipuleer met tijd, plaats en logica. Vaak weet hij niet meer waar hij ook alweer gebleven was. “Excuus”, zegt hij dan. “Dat schuurtje waarin ik de complete inrichting van mijn bibliotheek vond, had ik nog niet geïntroduceerd, niemand wist dat het er stond. Mijn verontschuldigingen.” Ook vult hij zijn herinneringen geregeld aan. “Ik geloof niet dat ik al een hemelbed heb genoemd, maar ik zie het nu toch duidelijk.”

Een figuur van vlees en bloed kun je deze Murk van M. niet noemen, hoeveel vlees en bloed er overigens ook ter sprake komt. Hij is een man zonder eigenschappen, die alles wat hij ziet, hoort en leest als een spons in zich opzuigt en vervolgens in willekeurige volgorde reproduceert. Vandaar dat zijn memoires een onontwarbaar mengsel vormen van eigen en andermans gedachten en herinneringen. Het uithoudingsvermogen en het geheugen van de lezer worden er flink door op de proef gesteld. Als je in het tiende hoofdstuk bent aanbeland, is er al zoveel hernomen en bijgesteld, dat je rustig weer opnieuw kunt beginnen. “Zo erg is het toch niet om zo nu en dan even terug te bladeren?”, houdt Murk ons pesterig voor.

Het Huis M. staat niet apart. Het is onderdeel van een grootscheeps ”Geheugenlexicon', waarvan de eerder genoemde verhalenbundel Cicerone en de roman Groente (1991) de delen 3 en 7 uitmaken. Dit nieuwe deel moet dan wel het dertiende zijn. Of Jongstra het alfabet ooit volkrijgt is natuurlijk de vraag (we wachten ook al weer jaren op het DEF van Bril en Van Weelden), maar zijn plan is vermetel genoeg.

Atte Jongstra is een schrijver met meer dan één gezicht. Zijn boeken doen zowel onbevangen als verliteratuurd aan, zowel luchtig als complex en zowel jongensachtig als studieus. Soms slaat de balans ongunstig door naar één kant, maar in Het Huis M. heeft hij een aangenaam midden weten te houden tussen al die uitersten. De roman is onderhoudend en erg amusant. De prettige afwisseling tussen verhalende en naar zichzelf en andere literatuur verwijzende passages draagt daaraan bij. De literaire verwijzingen zijn vaak nogal olijk. Op een van de laatste bladzijden richt Jongstra's hoofdpersoon zich rechtstreeks tot zijn ”lief publiek', om het, net als Multatuli deed in Max Havelaar, nog een laatste boodschap mee te geven. Maar zijn missie valt letterlijk in het water. Ook knipoogt hij naar Komrij, Campert en Van der Heijden, terwijl hij speciaal voor Hermans een paar mussen van het dak liet vallen, zonder er verder iets mee te doen. Met Brakman heeft hij intussen, zowel inhoudelijk als stilistisch, nog altijd het meest gemeen. Woorden als ”nasnokkeren', ”jeuzelig' en ”boekensneuper', die Brakman ook had kunnen gebruiken, verraden een speciale smaak voor wat ongewoon is, maar genoeglijk klinkt. In het motivische delen zij een voorliefde voor de gluurder, de dubbelganger en het spiegelgevecht. En zoals Brakman zijn bolhoeden, zijn opgeslagen kragen en zijn krijtwitte vrouwtjes met winterhanden heeft, zo heeft Jongstra zijn Opel Kadetts, zijn epileptici en zijn vensterbanken waarover steevast een roodharige, schaars geklede dame hangt met een ”breed gemoed'.

Wie zich verheugt op een sappige moordgeschiedenis, komt redelijk aan zijn trekken, al is Het Huis M. geen echte speurdersroman. Jongstra speelt met het detective-genre. Hij woekert met één lijk, dat steeds opnieuw om zeep wordt gebracht met steeds dezelfde attributen: een kandelaar, een mes, een beenzaag en een revolver. Het slachtoffer weet van geen wijken en verschijnt telkens weer aan het raam om nieuwe moordlust op te wekken. Komische rollen zijn ook weggelegd voor een wankelmoedige adjudant, een barse wachtmeester van het Bromsnor-type en de verdachte zelf, die zich tijdens de verhoren onophoudelijk verliest in wat hij zijn eigen ”recherche' noemt.

De eigenlijke hoofdrol in deze roman is niet weggelegd voor Murk van M. of voor het slachtoffer, maar voor de letter M. Niet alleen het huis uit de titel is gevormd naar de M. Het hele boek staat in het teken van de M. van onder meer moord, memoires, Mnemosyne en de negen Muzen, de Mississippi, de Messias, Middleton, muilezel, Mozes en niet in de laatste plaats de M. van mogelijkheid. De centrale kwestie is niet wie het heeft gedaan en zelfs niet =f er wel een strafbaar feit is gepleegd. Niet de feiten tellen, maar de mogelijkheden. De kwestie is, zo begrijp ik tenminste, dat iedereen een moord zou kúnnen plegen. De conclusie is dan ook onafwendbaar: iedereen is een potentiële moordenaar en al bij voorbaat schuldig.

Ik geloof niet dat Jongstra ons met een nieuwe erfzonde op wil zadelen. Hij wil alleen maar laten zien dat er geen wezenlijk verschil is tussen verbeelding en werkelijkheid, of tussen droom en daad en dat je als schrijver dus niet met twee benen in de wereld hoeft te staan.

Uit: Atte Jongstra, Het huis M.:

Sommige sprekers kunnen je het zwart voor de ogen draaien. Daar zijn verschillende manieren voor; ik noem er twee. Je hebt mensen die vanaf de katheder het gehoor zo ongeveer de zaal uit spoelen, die het doen spartelen in een stroom van woorden. Zelfs de geoefendste zwemmers geven het binnen enkele minuten op. Dat is de aangenaamste manier. Niet voor niets hoor je altijd dat de dood in het water de prettigste is. Het is alsof je na de aanvankelijke slik- en stikkrampen (Die niet prettig zijn, maar zo heeft iedere dood wat) weer terug bent in de wateren die je in de moederschoot omhulden. Je wordt langzaam gewiegd, zweeft in de bewusteloosheid en kunt je zonder de zwarigheden van het fysiek helemaal voorbereiden op het moment waarin de overgang zal plaatsvinden. Als ik zou mogen kiezen, dan wist ik het wel.

Dat is de ene manier. Het kan ook zijn dat je in een zaal zo'n beetje zit te roezemoezen, te kuchen of in je zakdoek zit te trompetteren. Dan verschijnt de spreker en wordt het stil. Hij neemt een slok uit een gereedstaand glas, opent zijn mond en ... Meteen gaat er een rilling door de zaal. Je kunt een speld horen vallen. Die spreker spert zijn mond open en laat het achterste van zijn tong zien. Iedereen wil de blik afwenden bij zo'n intieme bekentenis, niemand krijgt dat voor elkaar. Je blijft kijken, ademloos bij een biecht, zo voorbeeldig, zo totaal.

    • Janet Luis