Van Binnen

“Voor mij is dit thuis, ook al zijn we hier maar een paar maanden per jaar. Hier verandert er ook niets. In de diplomatieke dienst hebben we om de drie, vier jaar weer een andere post en dus een ander werkhuis. Dan eens een villa, dan weer een flat. Als wij in het buitenland zijn wil ik de zekerheid hebben dat alles thuis nog hetzelfde is. Wij gingen naar Zuid-Amerika vlak na een aardbeving, en ik vond het een geruststellende gedachte dat ook als ons huis in elkaar zou storten, ik hier in de tuin nog de rozen kan snoeien.

In 1975 al kocht ik een huis in de Jordaan. Beneden woonde een dronken loodgieter die steeds door zijn vrouw van de trap af werd gegooid en op een schuit in de gracht een zwerver die bij mij de douche gebruikte. Op een gegeven moment kwam ik mijn vrind tegen en moesten we beslissen, gaan we verbouwen of iets anders zoeken. In 1981 hebben we dit huis gekocht, terwijl Buitenveldert toen als veel chiquer werd beschouwd. Het was een krot, de trappen hingen er los in en alles moest vernieuwd: elektra, gas, water, riolering, de ramen, het dak. Ik vond het hier wel bourgeois en ongezellig na al dat rumoer in de Jordaan.

Dit huis is een lange wortel in Amsterdam, het geeft rust. Veel diplomaten hebben geen eigen plek meer in Nederland, ze moeten bij vrienden en familie logeren. Ze zeggen dan ook dat ze met vakantie naar Nederland gaan. Wij niet, wij gaan naar huis. Als je dat niet hebt raak je de feeling met je eigen land kwijt. Dan kun je nog elke dag NRC Handelsblad lezen, maar het Nederland dat je vertegenwoordigt in het buitenland ken je niet zo goed meer.

Onze werkhuizen in het buitenland richten we wel zelf in, maar in een wat moderner en zakelijker stijl. De tere spullen, het antiek, laten we thuis. De stijl is Frans, maar dan de Nederlandse variant erop. Zoals die twee stoelen uit de achttiende eeuw: aan de stijl en de houtbewerking kun je zien dat dit de Nederlandse interpretatie was van de Louis XIV-stijl. Deze bank van vruchtenhout is Louis Philippe, dat wil zeggen tussen Empire en Biedermeier in, uit ongeveer 1830. Heb ik laten bekleden met gestreepte zijde. Dat doe ik nóóit meer, één pinda erop en je hebt zó'n vlek. Gelukkig doet K2R wonderen.

Het enige niet-Europese in deze kamer is het kleed, het is Chinees. Hebben we op een veiling in Singapore gekocht en het bleek hier perfect te passen bij de groene Art Nouveau-schilderingen op het plafond. Omdat de rest van het huis verhuurd is staat het hier ook voller dan ik zou willen, met ook nog een secretaire en een staande klok en een theetafel. Van de verzekering hebben we allerlei maatregelen moeten treffen, zoals een elektronisch alarm en inslagvrij glas aan de kant van de tuin. Je ziet er weinig van, toch denk ik af en toe: het wordt wel een beetje een museum. Zo ziet het er bij mijn ouders ook ongeveer uit. De kunstwerken die hier hangen, zijn familiestukken. Het schilderij van de Rotterdamse Wijnhaven, bijvoorbeeld, en de twee negentiende-eeuwse vruchtenstillevens aan weerszijden van de open haard. Zo'n klassiek interieur heeft misschien iets oubolligs, maar ons reizende bestaan is al spannend genoeg. Ik heb me aangepast aan het verhuizen iedere drie, vier jaar, maar dan wil ik niet nog eens in de inrichting van mijn huis het wiel opnieuw uitvinden.''