Scholieren: migranten moeten zich aanpassen

UTRECHT, 14 OKT. Ruim veertig procent van de Nederlandse scholieren van HAVO en VWO vindt dat buitenlanders zich moeten aanpassen aan de Nederlandse normen en waarden. Meer dan 15 procent van hen vindt dat buitenlanders niet dezelfde politieke en sociale rechten zouden moeten hebben als Nederlanders.

Dat blijkt uit het proefschrift van de cultureel psycholoog G.L.M. Kleinpenning. Hij hoopt morgen te promoveren aan de universiteit van Utrecht op een onderzoek dat hij hield tussen 1987 en 1989 onder 2.800 scholieren uit de hoogste klassen van HAVO en VWO.

Kleinpenning onderscheidt verschillende gradaties van racisme. Van jongeren die het niet prettig vinden contact te hebben met etnische groepen (31,8 procent) tot jongeren die vinden dat buitenlanders gescheiden zouden moeten leven, minder intelligent zijn en maar beter terug kunnen naar hun "natuurlijke thuisland' (7,8 procent). Een op de drie ondervraagde scholieren is het met geen enkele van deze racistische uitlatingen eens.

Volgens Kleinpenning moet de overheid bij de bestrijding van racisme beter kijken naar hoe vooroordelen ontstaan en welke vorm ze aannemen. Zo blijkt dat scholieren over etnische buren een veel negatiever beeld hebben dan van hun etnische klasgenoten. In voorlichtingscampagnes zou de overheid dus allochtonen in concrete situaties (school, werk) moeten laten zien in plaats van de hele algemene anti-racisme campagnes die nu worden gevoerd.

Kleinpenning wijst op ander onderzoek dat een cumulatief verband heeft aangetoond tussen vormen van racisme. Met andere woorden: "onschuldige' uitingen van afkeer van vreemdelingen, kunnen aanzwellen tot ronduit racisme.

Van de vijf etnische groepen die Kleinpenning bij zijn onderzoek betrok blijkt dat bij alle ondervraagden Turken het minst gunstig beoordeeld worden. Daarna volgen Zuid-Molukkers, dan Surinamers en tenslotte Spanjaarden en joden. Opvallend is dat huidskleur geen rol speelde bij het oordeel van de scholieren, zo merkte Kleinpenning.

De Utrechtse hoogleraar jeugdstudies dr. W. Meeus onderstreept dat op grond van het onderzoek geen algemene uitspraken gedaan kunnen worden over het "afbrokkelen' van tolerantie tegenover etnische minderheden. “Het onderzoek is wetenschappelijk interessant omdat het laat zien hoe racistische opvattingen onderling samenhangen. Maar over ontwikkelingen of verschuivingen in de opvattingen van de jeugd zegt het niets. Het zijn per slot van rekening gegevens van vijf jaar geleden.”