SCHADUWEN VAN DE DUITSE GESCHIEDENIS

Sinds de val van de Berlijnse muur moet Duitsland opnieuw afrekenen met een dictatoriaal verleden. Nu de anti-nazi-processen vrijwel zijn afgerond, staan reeksen rechtzaken op stapel tegen ex-DDR-prominenten. Maar er is ook een opvallend verschil. In vergelijking met de minstens 50-jarige verwerking van het nazi-verleden lijkt die van de DDR-dictatuur veel sneller en gecomprimeerder te verlopen. Voor dit "ineenschuiven' van de geschiedenis bespeurt de auteur een vijftal redenen.

Sinds de ondergang van de DDR staat Duitsland voor de tweede keer binnen een halve eeuw voor de opgave om op politiek, mentaal en juridisch gebied af te rekenen met een dictatoriaal verleden. Na 1945 was er de belastende erfenis van het "Derde Rijk', na 1989-1990 die van het "reëel bestaande socialisme'. Opnieuw rijst de vraag naar de verstrikking van velen in de vroegere dictatuur, is sprake van een poging tot bestraffing van de schuldigen en van schadevergoeding voor de slachtoffers. Nu de laatste processen tegen nazi-misdadigers langzamerhand zijn gevoerd, staat Duitsland aan het begin van een nieuwe serie rechtszaken, nu tegen medewerkers van de Stasi en andere representanten van het SED-regime. Siegerjustiz, roepen sommige beschuldigden en actualiseren daarmee een begrip dat na 1945 tegen de geallieerde bezettende mogendheden was gericht.

Ook op andere terreinen hebben oude begrippen uit de eerste naoorlogse jaren of afleidingen daarvan een hernieuwde actualiteitswaarde gekregen. Zoals vlak na 1945 denazificatie op de politieke agenda van de geallieerden stond, zo is nu een proces van destasificatie in gang gezet. Dienden na 1945 Duitsers ouder dan achttien jaar in het kader van de denazificatie een zogenoemde Fragebogen over hun recente verleden in te vullen, nu bestaat voor Oostduitsers in overheidsdienst de verplichting informatie te verschaffen over hun vroegere politieke activiteiten en eventuele medewerking van de Stasi. Wat dit laatste betreft wordt tevens informatie ingewonnen bij het bureau van Joachim Gauck - de zogenaamde Gauck-Behörde - die in opdracht van de bondsregering 180 kilometer archief van de voormalige staatsveiligheidsdienst met daarin 6 miljoen persoonsdossiers beheert. Wanneer sprake is van belastende gegevens over de betrokkene dan kan deze uit overheidsdienst worden geweerd. Veel leraren, ambtenaren en politici zijn inmiddels op deze wijze door hun verleden ingehaald en op straat komen te staan.

Nu kan men natuurlijk de vraag stellen: zo gepresenteerd ligt een vergelijking voor de hand, maar kan men deze beide onrechtsstaten "Derde Rijk' en DDR wel met elkaar vergelijken? "Onvergelijkbaar', heeft de Franse politicoloog Alfred Grosser eens opgemerkt, is een van de "domste woorden' die er bestaan. Vergelijken betekent immers niet op een lijn stellen, maar het vaststellen van overeenkomsten en verschillen. Zeker, de aard en omvang van de misdaden van de beide regimes zijn fundamenteel anders. Dat geldt ook voor hun ideologische grondslag, voor het dagelijks leven tussen 1933 en 1945 en tussen 1949 en 1989 en voor de internationaal-politieke context. Bovendien - en dat is van centraal belang - was het nazi-regime een produkt van Duitse bodem dat slechts na een grote internationale krachtsinspanning ten onder ging. In de DDR daarentegen beklemtoonde de SED weliswaar voortdurend haar "massabasis', maar in werkelijkheid heeft zij die nooit bezeten. De DDR bestond slechts bij de gratie van wat de SED het broederlijke bondgenootschap met de Sovjet-Unie noemde. Met deze stuk voor stuk fundamentele verschillen dient rekening te worden gehouden bij een vergelijking tussen de omgang met het nazi- en DDR-verleden.

De omgang met het nazi-verleden heeft inmiddels een eigen geschiedenis van bijna vijftig jaar. In deze halve eeuw kan een duidelijke fasering worden aangebracht: gedurende de eerste naoorlogse jaren werd de confrontatie met het verleden weliswaar niet uit de weg gegaan, maar was het slechts een kleine groep die vooral in metaforische en versluierde zin over de achterliggende jaren schreef. Bovendien stond het debat over schuld en verantwoordelijkheid onder sterke geallieerde druk. Daarop volgde in de jaren vijftig een periode van "relatieve stilte', die vanaf ongeveer 1960 geleidelijk doorbroken werd. Eind 1959 werd de Bondsrepubliek opgeschrikt nadat in de kerstnacht hakenkruizen waren gekalkt op de herbouwde Keulse synagoge en ook op andere plaatsen in de Bondsrepubliek antisemitische leuzen waren opgedoken. Bondskanselier Adenauer trachtte dit manifeste antisemitisme te bagatelliseren door de daders als "lummels' te typeren die een "flink pak slaag' verdienden, maar zo eenvoudig liet de Duitse en de buitenlandse pers zich niet overtuigen dat het slechts incidenten waren geweest. In dezelfde periode kwam - hoe moeizaam ook - de in de jaren vijftig vrijwel tot stilstand gekomen strafrechtelijke vervolging van nazi-misdadigers weer op gang.

Ook in de literatuur trad rond 1960 een nieuwe fase in: Günther Grass publiceerde in 1959 "Die Blechtrommel', in 1963 verscheen Rolf Hochhuts "Der Stellvertreter' waarin hij de houding van de katholieke kerk ten opzichte van het "Derde Rijk' uiterst kritisch aan de orde stelde. En twee jaar later - om slechts deze drie te noemen - bracht Peter Weiss in zijn toneelstuk "Die Ermittlung' het Auschwitz-proces van 1964-1965 op het toneel, een proces dat bovendien duidelijk had gemaakt dat het verleden nog dichterbij was dan het in de schijn van de jaren vijftig vaak had geleken. Een zelfde werking had in 1961-1962 ook het Eichmann-proces in Jeruzalem gehad. Deze ontwikkeling zette zich voort. In 1965 besloot de Bondsdag de verjaring van moord te verschuiven waardoor nog tot eind 1969 nazi-misdaden zouden kunnen worden vervolgd. In 1969 werd de verjaringstermijn opnieuw verlengd, nu tot 1979 en toen ook dat onvoldoende bleek werd in het laatstgenoemde jaar de verjaring van moord geheel afgeschaft.

In de tweede helft van de jaren zestig bouwde de naoorlogse generatie voort op de inmiddels gegroeide openheid, stelde borende vragen en vervulde een katalyserende en moraliserende functie. De reactie daarop werd sinds de late jaren zeventig zichtbaar en in de jaren tachtig werd vooral ter rechterzijde naar meer afstand gestreefd. Na de moraliserende impuls van de jaren zestig was de Bondsrepubliek in deze periode op zoek naar een nieuwe plaatsbepaling. Daarbij waren zeker herhaaldelijk schrille tonen te horen en vanaf de politieke rechterzijde werden dubieuze geschiedvisies ten tonele gevoerd. Evenmin kan ontkend worden dat de politieke drang naar "normaliteit' in deze jaren soms een geforceerde indruk maakte. Maar dat het debat in deze periode met zijn vele ronde herdenkingsjaren - 50 jaar machtsovername in 1983, 40 jaar einde van de oorlog in 1985, 50 jaar "Kristallnacht' in 1988 enzovoorts - controversieel werd gevoerd, was minder verontrustend dan het in de waan de dag vaak leek. De uitkomst van de Historikerstreit van 1986 maakte bovendien duidelijk dat revisionisme van twijfelachtig allooi niet "salonfähig' was. Ook de kritiek op de Duitse "Schuldbesessenheit', het "in Sack und Asche gehen' en de "Bewältigungsrummel' in de redactionele commentaren van de Frankfurter Allgemeine Zeitung was minder onrustbarend dan veelal werd gedacht. Zeker werd ruim veertig jaar na 1945 gestreefd naar meer distantie ten opzichte van het verleden. Zonder twijfel zochten ook sommigen naar een nooduitgang uit de geschiedenis. Maar intentsiteit en verloop van het debat toonden aan dat die nooduitgang niet bestond en dat het nazi-verleden - of men wilde of niet - zich al lang in de Duitse identiteit had "ingebrand'.

Overziet men de inmiddels vier jaar durende en nog in volle gang zijnde "Aufarbeitung' van de DDR-dictatuur, dan lijkt deze korte periode op een ineengeschoven geschiedenis van bijna een halve eeuw omgang met het "Derde Rijk'. Sinds de ondergang van de DDR wordt intensief, met grote morele geladenheid en in verregaande openheid gedebatteerd over de tweede Duitse dictatuur. Domineerde in de omgang met het "Derde Rijk' tot de late jaren vijftig het "Nichtgenauwissenwollen', na de vreedzame revolutie van 1989 wilde een grote meerderheid van de bevolking precies weten wat er achter de schermen van de dictatuur gebeurd was en forceerde een omvangrijke minderheid de ontsluiting van de Stasi-archieven. Politie en justitie bereiden inmiddels zo systematisch mogelijk tienduizenden processen voor. Journalisten, historici, politicologen en juristen storten zich op de geleidelijk openbaar wordende staats- en partijarchieven. Er is sprake van een ware "onderzoeksexplosie', aangevuld door een niet aflatende stroom discussiebundels, die al of niet voortkomen uit symposia, openbare debatten en lezingencycli. Geen onderzoeksterrein is onbezet. Werd in 1967 met het verschijnen van "Die Unfähigkeit zu trauern' van Alexander en Margarete Mitscherlich het debat over de omgang met het nazi-verleden verrijkt uit de psycho-analyse, in 1990 verscheen op vergelijkbaar terrein "Der Gefühlsstau. Ein Psychogramm der DDR' van Hans Joachim Maaz. Van onbekend Oostduits psychiater werd Maaz in korte tijd bestseller-auteur en veel gevraagd spreker. Wat zich na 1945 in de omgang met het nazi-verleden in fasen voltrok komt nu als het ware "allemaal' tegelijk en in grote emotionele heftigheid.

In die heftigheid was het vooral het thema Stasi dat de emoties hoog deed oplaaien. Dat lag ook wel voor de hand omdat het "VEB Guck, Horch und Greif' of de "Firma', zoals de veiligheidsdienst in de volksmond ook wel werd genoemd, de belichaming was van het repressieve staatsapparaat. Daarbij kwam dat al snel bleek dat de tentakels van de Stasi veel verder hadden gereikt dan velen voor mogelijk hadden gehouden.

Problematisch was ook dat ondanks alle pogingen tot zorgvuldigheid, massale en tegelijkertijd rechtvaardige zuivering van het overheidsapparaat de bekende kwadratuur van de cirkel bleek te zijn. Tot mei 1993 waren bij de eerder genoemde Gauck-Behörde, die het Stasi-archief beheert, een miljoen aanvragen ingediend om na te gaan of over een evenzoveel genoemd aantal personen belastende informatie voorhanden was. Daarvan waren er tot dantoe 425.000 afgehandeld en over ruim 10 procent bleek dergelijke informatie te bestaan. Maar dan? Dan komt men in een labyrinth van criteria, die niet overal gelijkluidend zijn of die - hoe kan het anders bij het noodzakelijk grote aantal personeelscommissies - rekkelijk of precies worden uitgelegd. Is er sprake van rechtsgelijkheid wanneer het "Bundeskriminalamt' in Wiesbaden tientallen goed opgeleide Stasi-officieren in dienst neemt en hen vervolgens aanstelt als lijfwachten van ministers in Bonn, terwijl een gewone kok of schoonmaker van het vroegere ministerie van staatsveiligheid ontslagen wordt? Kan van rechtsgelijkheid gesproken worden wanneer een verpleegster uit een Stasi-ziekenhuis in Brandenburg niet eens voor een personeelscommissie hoeft te verschijnen en in overheidsdienst mag blijven terwijl zij in Berlijn zonder meer de laan uitvliegt? Wordt bovendien aan het Stasi-archief niet een waarde toegekend die het slechts gedeeltelijk bezit? Over veel SED-kader en anderen die werkelijk belast zijn bevat het geen informatie, over weer anderen is ten minste een deel van aangetroffen informatie aanwijsbaar onjuist.

Zeker, zuivering is noodzakelijk en velen zijn of worden op goede gronden ontslagen uit overheidsdienst, maar onbehagen over en kritiek op de destasificatie-praktijk is inmiddels in toenemende mate te horen. "Das Auskammen mit dem eisernen Kamm trifft zu viele, deren können wir brauchen' schreef de uit de burgerbeweging afkomstige Friedrich Schorlemmer in het onlangs verschenen manifest Weil das Land Versöhnung braucht. Daarmee pleitte Schorlemmer niet voor een Schlubstrich, wel voor een benadering waarin niet uitsluiting, maar integratie van honderdduizenden centraal dient te staan. Bij dergelijke pleidooien, die zowel in Oost als West in toenemende mate te horen zijn, voegen zich onmiskenbare "vermoeidheidsverschijnselen' bij de publieke opinie over het thema Stasi.

Ten slotte de strafrechtelijke vervolging. Naar schatting zullen de komende jaren tienduizenden zaken aanhangig gemaakt worden. "Es wird mehr werden als nach 1945', zei onlangs een direct betrokken Westduitse jurist. Halen politie en justitie in wat in de jaren vijftig bij nazi-misdrijven achterwege werd gelaten en ook na 1958 slechts in beperkte mate gelukt is? Heeft de oude Bondsrepubliek zich nu gestort op de vroegere tegenpool DDR en gelden voor de SED-misdrijven strengere maatstaven dan voor de nazi-misdaden? En wanneer dat zo is, kan daarin een bevestiging worden gezien van het stereotype beeld dat de Bondsrepubliek "met het linkeroog zeer scherp ziet en aan het rechteroog goeddeels blind is'?

Voor een bevestigend antwoord op deze vragen bestaat geen aanleiding. De bereidheid om tot strafrechtelijke vervolging over te gaan is ongetwijfeld groter dan na 1945, maar van een anti-communistische heksenjacht is geen sprake. Daarmee zij niet gezegd dat de strafrechtelijke vervolging geen haken en ogen kent. In het Duits-Duitse Verenigingsverdrag is vastgelegd dat alleen die daden kunnen worden vervolgd die ook volgens DDR-recht strafbaar waren. Op die basis is het zeker problematisch om een grenssoldaat die een vluchteling doodschoot te veroordelen, omdat deze in de DDR niet bestraft maar met extra vakantiedagen werd beloond. En hoe zit het met de duizenden DDR-rechters die nu voor Westduitse rechters komen en terecht moeten staan voor rechtsverdraaiing, hetgeen zoveel betekent dat met westerse ogen Oostduits recht wordt geïnterpreteerd? De aaneenrijging van pijnlijkheden in het proces tegen Honecker blijven hier buiten beschouwen en ik volsta met de opmerking dat het strafrecht - evenals na 1945 - over onvoldoende middelen beschikt om de misdrijven begaan in een onrechtsstaat adequaat te vervolgen. Opnieuw zal het rechtsgevoel het een en ander moeten incasseren.

De problemen bij de strafvervolging zijn dus groot, maar overziet men de tot nog toe uitgesproken vonnissen dan is eerder sprake van grote terughoudendheid en van een genuanceerd debat over de rechtsgeldigheid van deze processen en zeker niet van politische Siegerjustiz. Het ziet er bovendien naar uit dat vele van de duizenden te verwachten processen weliswaar met een schuldigverklaring maar zonder strafoplegging zullen eindigen.

Ook wanneer Kittlaus gelijk krijgt met zijn voorspelling dat "het meer wordt dan na 1945', de rechtsstaat zal opnieuw in hoge mate hulpeloos blijken in het vaststellen van de individuele schuld van systeem-immanente misdrijven van een totalitair regime. Kijkt men tegen deze achtergrond terug naar de vervolging van nazi-misdaden, dan verschijnt de veel gehoorde en zeker ook begrijpelijke kritiek daarop in gedeeltelijk milder licht. Zelfs wanneer vanaf het begin de bereidheid tot strafrechtelijke vervolging aanwezig is en getracht wordt zo systematisch mogelijk te werk te gaan, zoals nu in het verenigde Duitsland, dan nog is de praktijk niet meer dan een poging die slechts in zeer beperkte mate kan slagen.

Boven werd inzake de omgang met het DDR-verleden gesproken van een "ineengeschoven geschiedenis' van vijftig jaar omgang met het nazi-verleden. Zeker, de Aufarbeitung van het DDR-verleden is nog in volle gang en zal later ook een eigen fasering kennen, maar opvallend blijft de gelijktijdigheid van veel elementen die in de omgang met het nazi-verleden pas na verloop van tijd aan de orde kwamen.

Zonder op deze plaats volledig te zijn, kunnen tot slot vijf redenen voor dit kenmerkende verschil worden gepresenteerd. De belangrijkste reden ligt in de geheel andere aard en omvang van de misdaden begaan onder de beide totalitaire regimes met als gevolg dat ook de vraag naar schuld en verantwoordelijkheid na 1945 anders lag dan na 1989/90. “Wer nach Auschwitz schaut”, heeft de Westduitse auteur Martin Walser eens gezegd, heeft de neiging om “gleich wieder wegzuschauen.” Hoe groot het aan veel DDR-burgers aangedane onrecht ook is, een vergelijkbare uitspraak zal men over de onder het SED-regime begane misdaden niet zo snel horen. De historische dimensie van het schuldvraagstuk is na 1989/90 van een fundamenteel andere orde en dat maakt het ook "gemakkelijker' de confrontatie met dit verleden aan te gaan.

De tweede reden is dat de stem van de slachtoffers en regime-critici na 1989/90 veel krachtiger doorklinkt dan na 1945, omdat in tegenstelling tot het "Derde Rijk' van een brede identificatie van de bevolking met het regime nooit sprake is geweest. Het verlangen naar het droogleggen van het SED- en Stasi-moeras was in 1989/90 dan ook vrijwel algemeen, hetgeen na 1945 van het nazi-moeras niet gezegd kan worden. Na 1945 ging het niet alleen om zuivering en berechting, maar ook om de afkeer van het nationaal-socialisme bij miljoenen Duiters, de acceptatie van en identificatie met de democratie te laten volgen. Daarin paste wat Hermann Lübbe “ein kommunikatives Beschweigen' van daders en slachtoffers heeft genoemd. Anders geformuleerd: de "relatieve stilte' van de jaren vijftig vervulde een functie in de opbouw van de naoorlogse democratie omdat het de ex-nazi's niet uitsloot, maar omsloot. Na 1989/90 was het eerder andersom: de overgrote meerderheid van de Oostduitsers hoefde niet meer van de superioriteit van de democratische rechtsstaat te worden overtuigd.

Daarbij kwam - en dat is een derde reden - dat het verlangen naar gerechtigheid zich al snel vermengde met een sterke afweer tegen de wijze waarop de Westduitsers bezit namen van het zogenaamde "Beitrittsgebiet'. Dat gold niet alleen voor het economische en politieke terrein, ook leek het erop dat de Westduitsers bezit namen van de Oostduitse geschiedenis: hun media brachten de ene Stasi-onthulling na de andere, zij meenden dat alles in de DDR "von Grund auf schlecht' geweest was en deze "Besserwessi's' meenden bovendien precies te weten hoe met het DDR-verleden moest worden omgegaan. Een dergelijk beeld mag gedeeltelijk karikaturaal zijn, waar het om gaat is dat veel Oostduiters in 1990/91 het gevoel kregen dat hen weer ontnomen werd wat zij in de vreedzame revolutie meenden te hebben veroverd: zeggenschap over het heden en - voor zover nog mogelijk - over hun eigen verleden. Uit de intensiteit en geladenheid waarmee aan de zijde van de burgerbeweging over het DDR-verleden werd gesproken, sprak ongetwijfeld primair het verlangen naar inzicht in dat verleden, maar zij werd ook versterkt door een daarachter schuilgaande weerstand tegen West-Duitsland. De burgerbeweging wilde zelf afmaken waar zij mee begonnen was. Op politiek gebied werd zij al snel naar de rand gedrukt - overigens vooral door de eigen bevolking in de verkiezingen van 18 maart 1990 -, de strijd om de zeggenschap over het verleden werd er des te feller door.

Zeker, aan de politieke rand gedrukt, maar de burgerbeweging vond wel degelijk gehoor en de bereidheid om naar de slachtoffers en critici van het DDR-regime te luisteren was veel groter dan zij zelf vaak dachten. En hun gehoor was in ieder geval groter dan dat van de slachtoffers van het nazi-regime na 1945. Hierin ligt de vierde reden voor het afwijkende patroon van de omgang met het DDR- en nazi-tijdperk. De Oostduitse burgerbeweging bracht ondanks electorale marginalisering het prestige mee van de vreedzame revolutie, dat in de politieke besluitvorming tot belangrijke successen leidde, variërend van het openstellen van het Stasi-archief in januari 1992 tot de uitkomst van een eerste verjaringsdebatje van vorige maand, waarin onder Oostduitse druk werd besloten kleine delicten als schending van het briefgeheim, afluisteren van telefoons, huisvredebreuk enz. niet op 3 oktober 1993 te laten verjaren maar in ieder geval nog tot eind 1995 te vervolgen. Ter verklaring van deze relatief grote invloed is het van belang dat het in Duitsland na 1989/90 veel eenvoudiger was om zich het lot van de slachtoffers van het DDR-regime aan te trekken en zich in hun positie te verplaatsen. Na 1945 was een confrontatie met de slachtoffers tegelijkertijd een confrontatie met de eigen politieke en morele schuld, na de ondergang van de DDR ligt dat fundamenteel anders.

In de vijfde plaats kon het debat over het DDR-verleden in vier jaar tijd al zo'n grote intensiteit bereiken omdat Duitsland niet, zoals in 1945, in puin lag, in chaos verkeerde en bezet werd. De economische en sociale problemen in de voormalige DDR mogen groot zijn, de naoorlogse problemen van honger, gebrek, miljoenen vluchtelingen en verlies van soevereiniteit waren fundamenteler van aard. Na 1989/90 stonden onmiddellijk omvangrijke Westduitse materiële en immateriële reserves ter beschikking en ook wanneer de door Helmut Kohl beloofde "blühende Landschaften' nog uitblijven en vooral sterk vervuild bleken te zijn, de koers was duidelijk en die luidde: integratie van de imploderende DDR in de moderne, welvarende en democratische Bondsrepubliek. Bij die moderne staat past ook een breed medialandschap, niet alleen met radio en pers, maar vooral ook met televisie. In 1945 behoorde tot het gebrek aan "alles' ook het gebrek aan papier voor informatieverspreiding, na 1989/90 was eerder sprake van gebrek aan tijd om de duizelingwekkende hoeveelheid informatie te verwerken. Het "media-tijdperk' verschaft de omgang met het DDR-verleden een intensiteit en snelheid die vijfenveertig jaar geleden ondenkbaar was.

Zal evenals na 1945 ook nu weer een volgende generatie, dat wil zeggen omstreeks het jaar 2010, hun ouders met borende vragen over het DDR-verleden confronteren en taboes doorbreken? Vanzelfsprekend kan men daarover slechts speculeren, maar er zijn goede redenen om die vraag ontkennend te beantwoorden. Niet alleen de grote intensiteit en morele geladenheid van het debat van de afgelopen jaren wijst in die richting. Belangrijker is - en op dat centrale verschil tussen het "Derde Rijk' en DDR komt men steeds weer uit - dat de misdaden van het DDR-regime nooit zo'n prominente plaats in het collectieve geheugen zullen innemen als die van het "Derde Rijk'. Zeker zullen volgende generaties dit verleden niet links laten liggen en nieuwe, andere vragen stellen, maar de DDR-geschiedenis zal nooit die pijnplek kunnen worden die het "Derde Rijk' ondanks alle inmiddels gegroeide afstand ook nu nog steeds in het Duitse historische bewustzijn is.