Oud monster

Jaloers, zo zegt een door mij bewonderd persoon, is hij nog nooit geweest. Hij kent dat gevoel niet. Of ja, een keer, op een vriend die een bepaalde opdracht had veroverd waarvan hij zelf vond dat hij veel geschikter voor was; zij waren allebei jong en arm geweest, en het was vooral een kwestie van intellectuele frustratie.

Wat ik die persoon nooit heb durven vragen is, of hij dan nooit in zijn leven iets lelijks heeft gedacht als zijn vrouw lief lachte tegen een ander. Of vroeger nog, toen het tussen hen beiden nog pril was, waren er toen nooit mededingers die hij wel kon spugen - of met enkele welgemikte woorden uit het veld slaan, wat meer zijn stijl zou zijn geweest?

Het prehistorische, groenogige monster van de jaloezie leeft midden onder ons. Hier ritselt het in de achtertuin, daar sleept zijn zware staart. Er is een tijd geweest dat het achter hekken zat, opgesloten door de parkwachters van vrijheid-blijheid. In die dagen hadden de slachtoffers dubbele ellende te verdragen: die van de jaloezie, en daar bovenop het verwijt dat zij een uitgestorven emotie voelden. Je man is niet van jou, durfde de wereld ze toe te voegen. Misschien, teemde de dominee, ben je te veel met de kinderen bezig geweest, je was even vergeten dat je ook nog een beetje aantrekkelijk moest blijven voor hèm.

Goddank is dat weer over. De heldinnen van onze tijd zijn de bedrogen vrouwen die op spectaculaire wijze hun gram halen, auto's bekrassen, wijnkelders leeggieten en dassen - of ergere dingen - afknippen. Er mag openlijk geklaagd en gescholden worden door iedereen (zeggen we hypocriet, wetend dat er wel erg veel middelbare vrouwen bij zijn) die is verraden, bedrogen, aan de dijk gezet voor een ander. Niet dat het veel zal helpen, want een troost is het nu ook weer niet, jaloers te mogen zijn. Het is een recht.

Zonder twijfel vallen alle andere varianten in het niet bij die ene, de seksuele jaloezie. Of moet je zeggen: jaloezie om liefde? Zoals iedere zichzelf respecterende emotie is zij steke-, stekeblind, en doof bovendien. Het is een wonderlijke parallel met de liefde zelf. Haar blindheid is haar mooiste, indrukwekkendste kant. Absurd, en daarom mooi.

Bij de jaloezie is het die blindheid die iedereen juist tot wanhoop drijft. Biecht op! brult Othello tegen zijn vrouw. ”Doe belijd'nis van uw zonden,/ Want loochent gij ze ook stuk voor stuk bij eede,/ Dit schokt noch delgt mijn overtuiging, die/ mijn ziel doet schreien.'

De ziel schreit, het hart brult en de hand moordt. Een vriend en ik, gezeten aan een rustige cafétafel, waren het niet eens over wat het ergste is: als het voorwerp van je liefde aan de rol gaat met iemand leuks, of met een minderwaardig sujet. Jakkes, zei hij, als zij het zou doen met de schoorsteenveger, met een plat type dat toevallig langskwam, dat zou ik onverdraaglijk vinden. Welnee, zei ik, wat zou dat mij nu kunnen schelen. Een misstap met een blondje. Maar als hij een leukerd tegenkwam, mooi, slim, en daarvoor zou vallen, dat was pas erg... En allebei, zo vonden wij, hadden wij het beste voor met de liefde.

Toen mengde zich iemand in ons gesprek die weer eens bewees dat de werkelijkheid verbijsterender is dan alle mensenverstand. Zij was een slachtoffer, het was haar aan te zien. Het groene monster zwiepte door haar ziel, zij dacht al dagen aan niets anders dan haar vriend die ineens iemand anders had. Een leukerdje, zonder twijfel, en net wat jonger, net wat frisser dan zijzelf. De schoft die nog pas had gezworen dat hij van haar hield. Maar, vroegen wij verbaasd, je had het toch al met hem uitgemaakt? Zij beaamde, betraand. Dat was wel zo, en het was niet dat zij spijt had. Maar... zeiden wij verbluft. En toen vroeg iemand voorzichtig: je hebt toch ook zelf iemand anders?

Ik moet haar nageven dat zij zich schaamde. Maar de schaamte was niets bij de emotie, de diepe verongelijktheid dat zij niet de enige vrouw kon blijven in het leven van haar ex. Wat dacht hij wel.

    • Ileen Montijn