Kloek handboek over de Nederlandse Microlepidoptera; Klein, mooi en schadelijk

De kleine vlinders - Handboek voor de faunistiek van de Nederlandse Microlepidoptera. J.H. Kuchlein, Pudoc Wageningen. 1993, 725 blz, gebonden. Prijs ƒ 150,-. ISBN 90-220-1038-4

Van alle diersoorten op de wereld hebben circa 200.000 een wetenschappelijke naam gekregen. Zo'n tien procent daarvan behoort tot de vlinders. De meeste daarvan zijn klein.

Van de "motten' of "kleine vlinders' (Microlepidoptera, voor de liefhebber micro's) zijn alleen in Nederland al 2250 verschillende soorten waargenomen. Dat is aanmerkelijk meer dan het aantal Nederlandse dagvlindersoorten. Vooral de provincies Limburg en Gelderland zijn rijk aan kleine vlinders.

Veel van deze kleine vlinders zijn vrij eenvoudig 's nachts te vangen met lichtvallen. Ook het vraatpatroon van de rupsen kan gemakkelijk worden herkend.

Dit blijkt uit het handboek "De kleine vlinders' van dierecoloog Joop Kuchlein. Het boek, dat tot stand kwam met steun van de Landbouwuniversiteit Wageningen, werd vandaag aangeboden aan dr.ir. H.S.B.M. van Asperen, hoofd van de directie Natuur, Bos, Landschap en Fauna van het ministerie van landbouw. In het kloeke handboek worden 1373 soorten Microlepidoptera besproken.

Praktisch gebruik

De Microlepidoptera vormen geen echte systematische groep. Het is eerder een term voor praktisch gebruik: kleine vlinders vang je anders dan grote en deze grote dagvlinders (Macrolepidoptera) zien er meestal anders uit. Micro's zijn inderdaad meestal klein (spanwijdte vanaf 3 mm), maar sommige soorten hebben toch nog een spanwijdte van 4 cm.

Het handboek geeft een redelijke beschrijving van de bouw, de vraatsporen en karakteristieke zaken als de "zakjes' van de zakdragende mineerders. Uitgebreid wordt ingegaan op de ecologie - hierin herkent men de specialisatie van de schrijver. Dit hoofdstuk is wel tamelijk algemeen: stikstofkringloop, eilandtheorie, populatiedynamica, het zijn onderwerpen die zo uit een studieboek zijn overgeschreven. Ook het hoofdstuk over taxonomie vormt een - overigens uitstekende - samenvatting van een tekstboek.

Jammer is daar dat dit hoofdstuk weinig specifieke kennis geeft. Zo wordt over sibling species opgemerkt (soorten die genetisch wel gescheiden zijn, maar uiterlijk vrijwel hetzelfde) dat deze onder vlinders veel voorkomen, vooral onder de familie Tineidae (motten). Men zou verwachten dat in dit boek wat nader wordt ingegaan op dit fenomeen, het is niet voor niets een vlinderboek.

Kleermot

Vlinders zijn bijna het hele jaar door te vinden in de meeste uiteenlopende landschappen en ook bij mensen thuis. De kleermot, behorend tot de Tineidae was vroeger vooral berucht, omdat de rupsen zich aan wollen kledingstukken vergrepen.

In alle milieus komen karakteristieke soorten kleine vinders voor, doordat de rupsen vaak gebonden zijn aan bepaalde voedselplanten. Het verdwijnen van deze planten leidt daarom ook tot het verdwijnen van de bijbehorende vlinders. De kleine vlinders behoren tevens tot de meest gevreesde concurrenten van de mens: ze kunnen aanzienlijke schade toebrengen aan fruitbomen.

Het boek bevat een determinatietabel waarmee de vlinders tot op de familie kunnen worden geïdenificeerd. In Nederland komen 38 families voor. Voor het op naam brengen van de geslachten en de soorten dient een uitgebreide specialistische literatuurlijst. Wie het boek aanschaft om een soort op naam te brengen, komt dus bedrogen uit. Men zal naar een universiteitsbibliotheek moeten.

Wel worden gegevens over de meeste soorten gepresenteerd in tabellen en in verspreidingskaarten. De 1350 verspreidingskaarten nemen de helft van het boek in beslag - misschien was het beter geweest het woord "atlas' in de ondertitel op te nemen. De kaarten zijn niet op hetzelfde grid gebaseerd als de Atlas van de Nederlandse Flora (Rijksherbarium, drie delen, diverse auteurs). Aan deze recente atlas wordt geen woord gewijd. Dat is jammer, want het ligt voor de hand om de verspreiding van waardplanten en hun rupsen met elkaar te vergelijken.

Laatste halve eeuw

In de summiere toelichting op de kaarten wordt vermeld dat de verspreidingsgegevens het resultaat tonen van anderhalve eeuw faunistisch werk. Als waarschuwing staat dan ook niet voor niets dat men het Tabellarisch Overzicht moet raadplegen om te kijken of de vlinder de laatste halve eeuw nog in Nederland gesignaleerd is.

Aardig is dat bij de kaarten ook gegevens zijn opgenomen van de maanden waarin de vlinders en - als er tenminste gevens waren - de rupsen werden aangetroffen. De rupsen zijn in het algemeen meestal zo slecht herkenbaar, dat kweekjes uitsluitsel moeten geven, een werkje dat niet altijd tot een goed einde wordt gebracht. Meestal vindt men de rups een maand eerder dan de vlinder, maar er zijn uitzonderingen, zoals Schigmella nylandriella, waar de meeste rupsen juist na de vlinders worden gevonden.

In het boek zijn ruim honderdvijftig schitterende kleurenfoto's opgenomen, grotendeels afkomstig van de collectie van het Instituut voor Taxonomische Zoölogie van de Universiteit van Amsterdam. Ze vormen een aardige doorsnede van de Nederlandse soorten. Voor wie het al niet wist nemen ze de misvatting weg dat "motten' minder mooi zouden zijn dan dagvlinders. Je moet ze alleen met een loep bekijken.

    • Rob Biersma