In Staphorst is de Vreze Gods nog steeds aanwezig

Op Staphorst, Ned.1, 21.01-22.21u.

Staphorst is een dorp als zoveel andere, met een oude, agrarische kern, saaie nieuwbouwwijken, kinderen in jogging-pakken, verkeersdrempels en een disco op zaterdagavond. Alleen moet de dansende jeugd daar vóór middernacht verdwenen zijn, terwijl de geldautomaat van de bank zaterdagsavonds om klokslag twaalf uur automatisch op slot gaat. De toon wordt er gezet door de minderheid der zwarte-kousen-kerkers, die door de overwegend Nederlands hervormde rest - oud, synodaal dan wel vrijgemaakt - wordt ontzien. Misschien wel, oppert Jaap Vermeer in zijn Ikon-documentaire Op Staphorst van vanavond, omdat die ultra-strenge orthodoxen als een schier onbereikbaar ideaal van gelovigheid worden beschouwd.

Vermeer beet zich, zoals hij in de commentaartekst niet nalaat te benadrukken, negen maanden vast in het dorp dat vaak wordt opgevoerd als karikatuur van Nederlandse achterlijkheid. Het kostte hem veel tijd het vertrouwen van de inwoners te winnen. Ja, dat wil ik graag geloven. Maar het ergert me een beetje om hem dat tot twee, ja drie keer toe te horen zeggen. En het doet ook ietwat zeurderig aan hem te horen klagen over de interviews die toch, te elfder ure, werden afgezegd omdat de televisie in orthodoxe kring een instrument van de duivel is. Terwijl hij notabene nog zo overliep van begrip voor de consequenties van hun spijkerharde geloof. Weigeren ze verzekeringen af te sluiten? Ach, zegt Vermeer, hij neemt zelf óók vaak “onverzekerbare risico's” - alsof dat hetzelfde is. Om zich tenslotte, bij beelden van nachtelijk Staphorst, omineus af te vragen: “Welke duistere machten verhinderen dat deze aardige mensen vrijuit spreken?”

Goed, de SGP'ers en hun kudde lieten zich dus niet interviewen. Anderen wel - vriendelijke mensen die eigenlijk weinig bijzonders te vertellen hebben, maar door Vermeer als kostbare kleinoden in beeld worden gebracht. Met één van hen, merkt hij op, is zelfs een begin van vriendschap gegroeid.

Werkelijk interessant begint Op Staphorst pas te worden als er een niet-ingeënte polio-patiënt aan het woord komt. Vermeer voert een omzichtig gesprek met de man, waarin toch alle belangrijke vragen op tafel komen. Helaas stuiten ze ook allemaal af op dit verlamde slachtoffer van religieuze onbuigzaamheid. Nee, janken doet hij niet. “Sorry, gebeurd. Pech gehad,” brengt hij moeizaam uit. En als hij zelf kinderen had, zou hij ze laten vaccineren. Boeiend zijn ook de passages over het volksgericht, dat Staphorst begin jaren zestig in de wereldpers bracht: een van overspel verdacht paar werd op een mestkar door het dorp gereden. Het incident wordt, ook door enkele van de toenmalige daders, afgedaan als “kwajongenswerk”.

Is dat niet te makkelijk? Is zo'n extremiteit toch niet vooral verklaarbaar door de alomtegenwoordigheid van de Vreze Gods en de van bovenaf gedicteerde verstarring van denkbeelden? Was het, met andere woorden, ook in een minder gelovig milieu denkbaar geweest dat jongeren de verveling verdreven met een heksenjacht op twee gelieven? Nee, natuurlijk niet. Maar de programmamaker heeft zich, zegt hij, voorgenomen om de vooroordelen jegens Staphorst te bestrijden en neemt dan ook genoegen met wat hem wordt verteld.