Harde gulden en werkloosheid

Hoe kan het toch dat Nederland er financieel zo sterk voor staat, terwijl aan de andere kant de werkloosheid gierend oploopt? Financieel: onze gulden is een van de hardste valuta in de wereld. Hij is de laatste tijd alleen maar in waarde gestegen ten opzichte van andere Europese munten. En dat is nog niet alles. We hebben ook een overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans. Dat wil zeggen dat onze uitvoer van goederen en diensten de invoer overtreft. Dit is al een paar jaar zo. In de periode 1990-1993 ging het jaarlijks om achtereenvolgens 19; 14,6; 13,1 en 14 miljard gulden. Voor 1994 wordt een overschot van 19 miljard verwacht. Zo'n 3,6% van het nationaal inkomen. En dan toch die grote werkloosheid, dan klopt er iets niet.

Helaas, het klopt allemaal prima: die harde gulden is zelfs een belangrijke oorzaak van de toenemende werkloosheid en het overschot op de lopende rekening. De harde gulden maakt onze exportprodukten relatief duur: de afnemers moeten dure guldens kopen om ons te kunnen betalen. Exporteurs klagen daar dan ook over. Ze zien hun concurrentiepositie slechter worden en hun verkopen teruglopen. Maar hoe kan er dan toch zo'n groot overschot in het handelsverkeer met het buitenland bestaan? De verklaring is simpel: de groei van onze invoer zakt nog harder in dan die van de uitvoer. De figuur illustreert dit.

En dat ondanks het feit dat we met die sterke gulden relatief goedkoop in het buitenland kunnen inkopen. Dit inzakken van de invoer is een gevolg van twee dingen. We zagen al dat de exportindustrie het moeilijk heeft. Een groot stuk van onze uitvoer is doorvoerhandel. We kopen iets in het buitenland, bewerken het - voegen er waarde aan toe - en voeren het weer uit. Verkopen we van die spullen minder aan het buitenland dan hoeven we ook minder over de grens in te kopen. De tweede oorzaak van een kleinere invoer is de teruglopende bedrijvigheid in onze economie. Officieel mag het geen recessie heten (twee kwartalen achtereen krimp van het nationaal produkt), maar een laagconjunctuur mogen we het toch wel noemen. Ondernemers die hun winsten achteruit zien gaan, voelen weinig voor uitbreiding van hun bedrijf. Die investeringen worden nog even uitgesteld: ze voeren minder machines en grondstoffen uit het buitenland in. Consumenten die hun inkomen nauwelijks zien toenemen of waarvan de baan op de tocht staat, kopen ook minder buitenlandse goederen. Ze gaan minder of goedkoper op vakantie in het buitenland. Ze stellen de aanschaf van een nieuwe auto uit tot ze wat meer vertrouwen in de toekomst hebben.

Dat 'fraaie' overschot op de lopende rekening blijkt dus een gevolg van een op zijn achterste liggende economie. Er is sprake van onderbesteding: de bestaande produktiecapaciteit wordt onvoldoende benut. Zo bekeken is het niet zo vreemd dat een overschot op de lopende rekening hand in hand gaat met grote werkloosheid.

Voor de oorzaak van die sterke gulden en de ingezakte economie moeten we de blik naar het oosten richten. De Duitse regering heeft de fusie met de voormalige DDR in eerste aanleg niet met een belastingverhoging durven financieren. Dat zou een stuk koopkracht van West naar Oost hebben verplaatst en op die manier niet tot prijsinflatie hoeven leiden. Maar extra koopkracht aan de ex-DDR-burgers geven zonder die bij de Westduitsers weg te halen, leidt wel tot prijsinflatie. Dit gevaar weer dwong de Bundesbank tot het verhogen van de rente om de dreigende oververhitting af te remmen. En die hoge rente werd gevolgd door De Nederlandsche Bank om het vertrouwen in de gulden niet te schokken. Naast de mark werd ook de gulden keihard. Beleggers komen op die hoge rente af; ze kopen guldens waardoor de koers omhoog gaat. Met de hierboven beschreven gevolgen.