Gelijke behandeling pensioen tot 1990 beperkt

DEN HAAG, 14 OKT. De verplichte gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij aanvullende pensioenen blijft beperkt tot de periode na 17 mei 1990. Dit blijkt uit een uitspraak van het Europese Hof. Pensioenfondsen hoeven pensioenaanspraken die voor 17 mei 1990 zijn opgebouwd, niet voor vrouwen en mannen gelijk te trekken.

Een consequentie van deze uitspraak is bijvoorbeeld dat weduwnaars aanspraak kunnen maken op het pensioen dat hun vrouw had opgebouwd, mits dat na 17 mei 1990 is gebeurd. Vroeger bestond een dergelijke verplichting voor pensioenfondsen niet.

In 1986 stelde de EG een richtlijn vast dat mannen en vrouwen in de bovenwettelijke sociale zekerheid met ingang van 1993 gelijk moesten worden behandeld. Op 17 mei 1990 sprak het Europees Hof in zijn zogenoemd Barber-arrest uit dat mannen en vrouwen bij aanvullende pensioenen (dus bovenop de AOW) gelijk moeten worden behandeld. Die ingangsdatum wordt sindsdien aangehouden in Nederlandse wetsvoorstellen op dit terrein. De behandeling daarvan in het parlement laat echter al enkele jaren op zich wachten in afwachting van beslissingen van het Europees Hof in nog vier andere zaken, na het arrest-Barber.

In een daarvan, de Nederlandse zaak-Ten Oever, heeft het hof nu bepaald dat de gelijke behandeling bij de pensioenen moet worden gerealiseerd door een gelijke pensioenopbouw (en niet door gelijke uitkeringen), per 17 mei 1990.

Op korte termijn verwacht staatssecretaris Wallage (sociale zaken) de andere arresten van het Europees Hof, waarna de Tweede Kamer de pensioenvoorstellen kan behandelen.